Home

Waarom de mens het hardst lacht, maar zeker niet als enige: ‘Als ratten en muizen lachen, doen alle zoogdieren het’

Lang voordat onze verre voorouders leerden praten, konden ze al lachen. Een reeks vrolijke, recente onderzoeken onthult hoe diep lachen in de evolutie van onze soort zit verankerd – en waarom de mens de grootste lachebek is.

is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.

Het was op een grijze vrijdagmiddag in december toen Marlies Oostland voor het eerst een muis aan het lachen maakte. ‘Dit was een goed muisje’, vertelt ze. ‘We hadden een goede band opgebouwd. Het muisje volgde de hele tijd mijn hand. Dus toen hij weer vrijwillig naar mijn hand toeliep, draaide ik hem op zijn rug en kietelde zijn buik. En ineens hoor ik van die heel hoge, korte piepjes. Ik dacht: oeh, dat is gaaf.’

Oostland, neurowetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam, droeg een speciale, geluidverlagende koptelefoon om het te kunnen horen: muizen maken veel geluid in het ultrasoon, boven de menselijke gehoorgrens. Zo werd haar duidelijk wat hier gebeurde: haar muis lag in een deuk. ‘De kietelvocalisaties die we horen bij muizen zijn heel kort, hoog en repetitief. Heel anders dan als we twee muizen bij elkaar zetten en die met elkaar laten praten’, zegt ze, alsof ook dat de normaalste zaak van de wereld is.

Van de grotere, socialere en speelsere ratten weten wetenschappers al langer dat je ze kunt kietelen als ze zich goed voelen. Dúbbel liggen ze dan, met ultrasone piepjes die onderzoekers goed kunnen onderscheiden van andere geluiden. Maar muizen, zo was altijd het idee, zijn veel te chagrijnig voor dat soort gedoe. Te weinig sociaal. Niet speels genoeg. Saai.

Zeg dat niet tegen Oostland. ‘Ik heb veel langdurige gedragsstudies gedaan met muizen en ik ben ervan overtuigd: muizen zijn sociaal, muizen spelen. Ze zijn ontzettend acrobatisch, vinden het heerlijk om ondersteboven te hangen, naar beneden te vallen en weer omhoog te klauteren. Ik vind muizen fantastische beesten. Dus als ik hoor: ze kunnen niet gekieteld worden, dan denk ik: ik moet opkomen voor mijn muisjes. Ik ben ervan overtuigd dat muizen gekieteld kunnen worden.’

Een onderzoek met praktisch nut, overigens. Om fundamentele kennis op te doen over allerlei aandoeningen waarbij patiënten meer of juist minder gevoelig worden voor kietelen, maar ook gewoon om direct te gebruiken in het lab. ‘Voor het welzijn van proefdieren’, zegt Oostland. ‘Er zijn een heleboel onderzoekers die langlopende gedragsstudies doen bij muizen. Als je een band opbouwt met je muis, zou je zoiets kunnen gebruiken om het welzijn van het dier te vergroten en hun leven te verrijken.’

Op het grote neurowetenschappelijke congres Fens, afgelopen zomer in Barcelona, trok haar ontdekking dan ook veel aandacht van collega’s. Een wetenschappelijk artikel waarin ze haar experimenten officieel beschrijft, is op komst. Al zal het woord ‘lachen’ daarin niet vallen: ‘De wetenschappelijke term die we gebruiken is laughter-like vocalisations’, zegt ze plechtig. ‘Oké, maar even onder ons: mijn muizen láchen als ik ze kietel. Alleen kan ik dat natuurlijk niet zo opschrijven, omdat ik het niet wetenschappelijk kan bewijzen.’

Dat Oostlands muizen het gekietel ook echt leuk vinden, en het niet bijvoorbeeld uitschreeuwen van schrik, maakt ze onder meer op uit experimenten waarbij ze de muisjes liet kiezen tussen een arena met haar kietelende hand en een arena waarin niets gebeurt. ‘Ze zitten dan 80 procent van de tijd aan de kant waar ze gekieteld worden. Dus mijn menselijke interpretatie is: ze vinden dit leuk’, zegt Oostland.

Lachen. Iedereen doet het, als wederzijds signaal dat we iets prettig vinden. En toch is het ergens een raadsel waaróm we het doen, en hoe het zo is geëvolueerd. Want wat is toch die mysterieuze oerkracht die maakt dat zelfs de stoerste volwassenen soms ‘niet meer bijkomen’, of kermen dat ze ‘niet meer kunnen’? Waarom krullen de mondhoeken voortdurend omhoog als mensen elkaar ontmoeten, en is de lach vaak het eerste wat je hoort op plekken waar mensen samenzijn?

De laatste tijd beginnen wetenschappers op zulke vragen steeds meer vat te krijgen – onder meer door te kijken naar ons verre, diepe verleden en door op zoek te gaan naar het stukje muis of aap dat mensen nog met zich meedragen, diep in hun systeem. ‘We beginnen steeds beter te begrijpen hoe emotioneel gedrag zoals lachen wordt gevormd door onvoorstelbaar oude, evolutionaire processen’, zegt Disa Sauter, sociaal-psycholoog en emotieonderzoeker aan de universiteiten van Oxford en Amsterdam.

De oervorm van lachen

Wat Oostland hoorde bij haar proefmuizen, is misschien wel het prille begin, de simpelste oervorm van lachen: een reactie op stoeierige aanrakingen, in een ontspannen situatie. Dieren spelen om in een veilige omgeving te oefenen met situaties zoals gevechten, is zo’n beetje de consensus onder biologen. En steeds duidelijker wordt dat lachen – of vooruit: ‘lach-achtige vocalisaties’ – daarvan vast onderdeel zijn, bij veel meer dieren dan verwacht. ‘Als ratten en muizen lachen, doen álle zoogdieren het’, zegt Mariska Kret, emotieonderzoeker en hoogleraar cognitieve psychologie in Leiden.

Kret heeft minder moeite om het woord ‘lachen’ in de mond te nemen: ‘Lachen is een manier om aan de ander te laten merken: dit is leuk, maar het is ook spannend. Je geeft met lachen eigenlijk elke keer een beetje de grens aan, tussen wat nog leuk is, en wat op een gegeven moment een gevecht is.’ Net zoals mensen dus eigenlijk doen met verbale grappen. ‘Als je een grapje maakt, kan het soms net een tikkeltje te ver gaan, of net niet.’ De lach als uithangbordje: ga maar door.

Fascinerend eigenlijk, als je erover nadenkt, vertelt apenonderzoeker Adriano Lameira, per beeldverbinding vanuit zijn werkkamer aan de Universiteit van Warwick: ‘Iedereen lacht op een totaal andere manier. En toch herkennen we lachen meteen, of je nu iemand uit China ontmoet of uit Afrika. Niet aan de klank, maar aan het tempo, en de herhaling: ha-ha-ha-ha. Het is die ritmische component waaraan ieder van ons lachen herkent als een heel belangrijk, positief, sociaal signaal.’

En, zo drong tot hem door, mensapen hebben dat ook. ‘Ze lachen als ze met elkaar spelen’, vertelt hij. ‘Je herkent het, omdat ze óók dat ritme hebben.’ Apen lachen, beaamt ook Kret. ‘Ik weet niet zeker of het bij alle primatensoorten is bestudeerd’, zegt ze. ‘Maar alle apen waarvan ik het weet, vertonen dit gedrag. Ze trekken wat wij noemen een playface. Zo’n ontspannen open mond, oogcontact met grote open ogen, en dan die ritmische ademhaling erbij.’

Om er beter de vinger achter te krijgen, gingen Lameira en zijn collega Marina Davila-Ross over tot een wat gedurfder experiment dan Oostland met haar muizen: men besloot onder meer om gorilla’s te gaan kietelen in twee Duitse dierentuinen. Of althans: ‘Voorlopig laten we het over aan de verzorgers’, vertelt Lameira. ‘Die kennen de dieren en kunnen inschatten of de gorilla’s wel in de stemming zijn om te lachen.’

Zo gebeurde het dat op zekere dag een verzorger de voet pakte van de tien maanden oude mannetjesgorilla Ndowe – en hem zachtjes begon te kietelen. Op opnamen van het experiment is te zien hoe de gorilla de verzorger een moment lang duister aankijkt. Dan opent hij zijn bek, schudt zijn kop, en maakt een vreemd, brommend hijggeluid: rrhhh, rrhhh, rrhhh. Hij lacht! Ndowe ligt dubbel. En biedt zijn voetzool nog eens aan, voor meer. Niet heel anders dan de muizen van Oostland.

Een voorraad opnamen van lachende mensapen had Davila-Ross nog liggen. Van giechelende bonobo’s, grinnikende orang-oetans tot schaterende chimps. Soms bewust opgewekt, door de dieren te kietelen, en soms toevallig geregistreerd, als de dieren lachend met elkaar stoeien. Om het menselijk ras te vertegenwoordigen, schakelden de onderzoekers vier goedlachse Duitse dreumesen in.

Met opvallende uitkomsten, schrijven Lameira, Davila-Ross en hun collega’s in vakblad Communications Biology. Gorilla’s, orang-oetans, bonobo’s en chimpansees bevinden zich wat lachen betreft in een ‘humanoïde continuüm’, noteren de wetenschappers in geleerde taal. Waarbij menselijke lachbuien ‘snellere, meer variabele en meer contextgevoelige ritmes’ vertonen.

Oftewel: alle apen lachen. Maar hoe dichter ze evolutionair bij de mens staan, des te sneller en gevarieerder ze lachen. Een teken dat we gaande de evolutie steeds betere controle kregen over onze lachspieren, denkt Lameira. ‘Vergelijk het maar met pianospelen’, zegt hij. ‘Als beginner speel je alleen de noten, langzaam en in één tempo. Maar als je meer controle krijgt over je pianospel, ga je sneller spelen en maak je meer gebruik van de reikwijdte van wat je kunt doen met noten en ritme.’

Parallel communicatiekanaal

En de mens spant de kroon. U bent écht de lachende aap aan de stamboom, vindt Lameira. De aap die het lachen tot kunst heeft verheven. Tot ‘bijna een parallel communicatiekanaal’ zelfs; een soort tweede taal, naast woorden en zinnen, vindt hij. Daarop valt wetenschappelijk nog wel wat af te dingen, vindt Kret – zo hadden de onderzoekers eigenlijk meer apen (en dreumesen) moeten kietelen, en van meer verschillende leeftijden bovendien, vindt ze. Maar een boeiende gedachte vindt ze het wel. ‘Het is een interessante hypothese dat er meer variatie in een lachepisode zit, naarmate een soort dichter bij ons staat’, zegt Kret.

Omgekeerd is de oerlach van stoeiende dieren ook bij moderne mensen nog altijd niet helemaal weg, ontdekten Sauter en haar collega’s. De onderzoekers legden vele honderden willekeurige menselijke lachsalvo’s, afkomstig van YouTube, voor aan de computer, om te kijken of er enige lijn zit in hoe mensen lachen. Het resultaat was verrassend.

‘We ontdekten dat de kietellach echt wezenlijk verschilt van lachen in allerlei andere situaties’, vertelt Sauter, aan de telefoon vanuit Oxford. ‘Als we lachen om bijvoorbeeld iemand die uitglijdt over een bananenschil, of om een schattig kattenfilmpje, is dat akoestisch gezien een ander geluid dan als we gekieteld worden. Ik denk dat dit onderstreept dat kietellachen evolutionair gezien vrijwel zeker de oudste vorm van lachen is.’

Daarnaast is lachen dus een sociaal spel geworden, een taal die mensen elkaar aanleren. Een intrigerende aanwijzing daarvoor vonden Sauter en Kret bij jonge kinderen. Pasgeboren baby’s lachen nog als (volwassen) apen, met lachgeluid bij het in- én uitademen: ha-hh, ha-hh, ha-hh. Na een tijdje verandert dat, in het klassieke ‘menselijke’ lachen met alleen geluid op de uitademing: ‘ha, ha, ha’.

Maar dat is niet alles, ontdekten Sauter en Kret. Volwassenen die zowel het nog ‘aapachtige’ als het menselijke babygelach hoorden, vonden het menselijkere ‘ha, ha, ha’ niet alleen schattiger, maar ook aanstekelijker, beschreven de onderzoekers, in vakblad Biology Letters. En dat is een sterke aanwijzing dat baby’s het ‘ha, ha, ha’ aanleren, van volwassenen. ‘Het zou kunnen dat zo’n kindje op een gegeven moment ontdekt dat het meer effect heeft om op een bepaalde manier te lachen en het dus ook vaker gaat doen’, zegt Kret. ‘Het kindje leert dit door sociale interactie.’

Dat begint al zo vroeg dat ook Sauter er niet aan twijfelt dat onze verre voorouders eerder lachten dan praatten. ‘Lachen is complex. Toch beginnen baby’s al vanaf een week of zes sociaal te glimlachen, als de baby verder nauwelijks iets kan’, zegt ze. ‘Dat laat zien dat lachen een zeer belangrijke functie heeft. En ik wed dat die functie sociaal is.’

In een ander onderzoek verkent ze op welke lach andere mensen aanslaan: welke vinden we zo aanstekelijk dat we als vanzelf gaan meelachen? Sauter maakte zo’n situatie pas nog mee, vertelt ze: ze zat in een restaurant met familie, toen ineens de lach in de pan sloeg, zonder heel duidelijke reden. ‘Je kent dat wel, we konden niet meer ophouden. We zaten letterlijk te huilen van het lachen. Het hele restaurant kon ervan meegenieten.’

In een nog ongepubliceerd onderzoek laat Sauter zien dat het vooral dit soort onbedaarlijke lach is waarvan andere mensen gaan meegrinniken, licht ze een puntje van de sluier op. ‘Hoe natuurlijker en echter, des te aanstekelijker lachen kennelijk is. Dat gebeurt veel vaker dan wanneer we iemand horen lachen uit beleefdheid. Mensen voelen dat onderscheid kennelijk haarfijn aan.’

Bij een hilarisch, haast gemeen experiment toonden Duitse onderzoekers verbonden aan de Universiteit van Göttingen onlangs aan hoe ingewikkeld het kan zijn om níét mee te lachen met anderen. Vrijwilligers moesten serieus zien te blijven terwijl iemand hun grappen vertelde, door zich te concentreren op een stuk behang, aan iets anders te denken of door zichzelf wijs te maken dat de grap helemaal niet leuk was. Intussen werden hun lachspieren bewaakt met elektroden.

Speelgezicht

Dat lukte eigenlijk vrij aardig – vooral het behang bestuderen helpt – tótdat de proefpersonen ook een beeldscherm te zien kregen met daarop het lachende gezicht van de grappenmaker. Probeer dan maar eens níét te lachen. ‘De aanwezigheid van een lachend persoon leidde tot een significante vermindering van het vermogen van de deelnemers om hun gezichtsrespons te onderdrukken’, schrijven de wetenschappers droogjes.

Intussen is de onderzoeksaandacht aan het verschuiven naar wat Kret het ‘speelgezicht’ noemt, het apen- en mensengezicht met de ontspannen, lachende mond en de grote ogen. Het is nog een goeddeels open vraag in hoeverre andere dieren ook dát doen. ‘Ik kan het niet bewijzen, maar ik denk echt dat mijn vogeltjes die ik thuis heb, óók zo’n playface trekken’, zegt Kret. ‘Ze vinden doosjes heel leuk. Als ik een doosje neerzet, ze gaan erin en ik tik erop, vinden ze dat heel spannend. Die veertjes gaan dan omhoog staan en het snaveltje gaat een beetje open.’

Ook hierin zijn apen al veel verder, toonde Davila-Ross aan, in een enkele maanden geleden gepubliceerde reeks experimenten. Haar groep bestudeerde de opnamen van honderden stoeipartijtjes tussen orang-oetans en chimpansees en ontdekte: de dieren nemen elkaars lachgezicht over. Als een van de spelpartners een lachgezicht maakte zonder de boventanden te ontbloten, deed de ander dat in de drie seconden daarop ook. Een sterke aanwijzing dat ‘lachgezichten van voorouderapen van 10 tot 16 miljoen jaar geleden al complex moeten zijn geweest in vorm en functie’, aldus de groep, in vakblad Scientific Reports.

Apen grijnzen dus naar elkaar in het dierenbos, niet anders dan mensen op een borrel of andere sociale bijeenkomst. En: mensen snappen dat ook. Eerder dit jaar publiceerde Davila-Ross weer een ander, intrigerend stukje van de puzzel. Haar groep liet menselijke vrijwilligers filmpjes bekijken van stoeiende apen. Onbewust lachten de proefpersonen mee, als de apen lachten. Ook lachende apen vinden we kennelijk aanstekelijk.

In haar muizenlab bereidt Oostland zich voor op de volgende stap: toch eens zien of haar gekietelde muizen ook een lachend gezicht trekken. ‘Het is natuurlijk allemaal free moving en zo, als ik die muizen op hun rug leg en ze kietel. Dus het zal niet eenvoudig zijn’, vertelt ze. ‘Maar we hebben tegenwoordig wel allerlei nieuwe, geavanceerde cameratechnieken ter beschikking. Gezichtsherkenning en gezichtsuitdrukking bij muizen is hot.’

Misschien is het wachten tot de grijze vrijdagmiddag waarop Oostland aan een van haar muizen een glimlach ontlokt.

Alles over wetenschap vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next