Home

Te makkelijk is Maartje Luccioni in de dameshoek gezet. Wie haar nu leest, ziet hoe onterecht dat was

Maartje Luccioni (1935) leek verdwenen, maar ze schrijft nog! Gelukkig maar: met een lucide scherpte herinnert ze zich haar jeugd in oorlogstijd.

is recensent voor de Volkskrant.

Ze figureerde in de uiterst treurige bundel Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf van Joris van Casteren, interviews met vergeten schrijvers uit 2006. Dat wil zeggen, daarin was Maartje Luccioni, wier laatste roman in 1989 verscheen, zo ongeveer de enige geportretteerde bij wie je niet acuut de tranen in de ogen sprongen.

Monter ontving ze de interviewer in haar huis in Frankrijk, waarheen ze begin jaren zestig omwille van de liefde verhuisde, en monter concludeerde ze: ‘Misschien ben ik wel uitgeschreven.’

Het was nu eenmaal zo gelopen, zei ze, met gezin en baan. Ze had het simpelweg te druk gehad voor de schrijverij. Zeker, ze vertelde óók hoe weinig elegant haar uitgever De Bezige Bij haar aan de kant had gezet toen de verkoopcijfers taanden. Maar tot op de dag van vandaag was ze ‘dol’ op haar boeken. ‘Soms lees ik een pagina en dan denk ik: goh, wat goed.’

Aan het eind van het gesprek sprak ze de hoop uit dat haar werk net als dat van Jean Rhys of Josepha Mendels op een dag herontdekt zou worden.

Dat laatste zou mij niks verbazen. Wie haar onlangs verschenen, fijnzinnig geschreven memoir Toen en nu uit heeft, krijgt meteen zin haar – bescheiden – oeuvre te (her)lezen. Misschien is de tijd er wel rijp voor. Te makkelijk zijn haar boeken destijds in de dameshoek gezet, ook in deze krant (een ‘Hollandse keukenroman’ sneerde criticus Kees Fens over haar debuut). Anno 2026 lezen ze als intelligente zedenschetsen, toevallig geschreven door een vrouw. Is er toch wat veranderd.

Liefdevol en melancholiek

Zo’n vijftien jaar geleden begon Luccioni haar herinneringen vast te leggen. ‘Iedereen kent het die terugdenkt aan vroeger: die onwaarschijnlijk heldere beelden, die rappe opeenvolging van scènes. Je wordt meegesleept, er komt van alles boven, je herinnert je dingen waar je in geen jaren meer aan had gedacht. Wat een kijkspul! En van dat spul ben jij de baas.’

Ze beschrijft haar kindertijd kriskras, in associatieve hoofdstukjes met titels als ‘Witte sokjes’ en ‘Dat dondert niet’ – een procedé dat ze trouwens ook in haar romans graag toepaste.

Liefdevol en melancholiek is het portret dat ze aldus opbouwt van het gezin waarin ze met één jonger broertje opgroeide: vader huisarts (‘een enthousiast verbreider van kennis’), moeder een ‘verlichte’ huisartsdochter. ‘Hun franke houding’, constateert de dochter een mensenleven later, ‘maakte dat wij hen geheel vertrouwden.’ Cultuur was er vanzelfsprekend, goede smaak ook. Het gezin bewoonde een ruime villa met praktijk en apotheek aan huis in het toen nog ‘overwegend roomse’ Nijmegen. Daar, schrijft Luccioni, vormden wij een ‘heidense enclave’.

Dat weet de lezer trouwens ook uit andere bron. Haar hartsvriendin Mischa de Vreede (1936-2020) beschrijft in haar herinneringen hoe Luccioni’s moeder sigaretten uit een pijpje rookte en hoe het gezin bij de maaltijd wijn dronk. Het gaf dominees- en geheelonthoudersdochter De Vreede ‘een lekker zondig gevoel’.

Met lucide scherpte herinnert Luccioni zich talloze scènes uit de bezettingstijd, waaronder Nijmegen verschrikkelijk te lijden had. Hoewel ze amper 5 was toen de oorlog uitbrak, heeft ze de beelden puntgaaf bewaard. ‘Toen renden we al naar beneden, we waren halfweg de trap, mijn vader had mijn broertje op de arm (daar dacht ik later aan, toen ik las over Hector en Astyanax, Aeneas en Ascanius), mijn moeder sleurde mij mee. Het tussenportaal lag vol glas, er was daar een heel groot raam, mijn moeder kreeg een snee in haar voet, maar wat mij het meeste trof: mijn vader was piemelnaakt!’

Mijmeren

Regelmatig probeert ze onder woorden te brengen wat oorlog betekent. ‘Zomaar. Dat was het: te veel gebeurde zomaar. Een brandend vliegtuig stortte zomaar neer op de beide meisjes Jonker, een straat verder. De smid, naast ons, kreeg zomaar een scherf in zijn dijbeen. Mijn vader redde hem door de broekriem van een omstander als tourniquet te gebruiken. En Boetie Israel is zomaar van school weggebleven.’

Natuurlijk was de bevrijdingstijd tegelijk opwindend. ‘Maar je kreeg van dichtbij een doorkijk op de chaos, en die gaat niet weg. Die is daar altijd. Die moet in toom gehouden, bezworen.’ Vandaar dat ze naar eigen zeggen nu al tafelkleden heeft geborduurd voor haar beide kleinzoontjes, met eeuwenoude motieven, ‘omgeven door spreuken, spreekwoorden en gezegdes, kernachtige uitdrukking van oude volkswijsheid, barricaden tegen de chaos’.

Ook over minder zware thema’s mag Luccioni graag mijmeren. Wat betekende het bijvoorbeeld om op te groeien in een klassiek doktersgezin? Ze noemt dokterskinderen ‘gedisciplineerd en betrouwbaar’, laconiek en discreet, behept met verantwoordelijkheidsgevoel, van jongs af aan vertrouwd met bloed, pus, pies en poep. En net als de lezer denkt: nou, nou, kun je dat wel zo stellig beweren, komt ze zelf met de tegenwerping. ‘Alsof kruidenierskinderen, alsof kantoorbedienden (zoals dat toen nog heette) geen strakke dagindeling kunnen hebben! Alsof boerenzoons niet laconiek zijn. Het hangt er natuurlijk gewoon van af in welke familie eenieder persoonlijk is opgegroeid. Aanleg en opvoeding: altijd hetzelfde liedje.’

Maartje Luccioni: Toen en nu. Nijgh & Van Ditmar; 154 pagina’s; € 18,50.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next