De tweede roman van Dries Muus zit heel vakkundig in elkaar. Dus wéét je dat het verleden van de hoofdpersoon hem gaat inhalen – verhuizing naar Madrid of niet.
Zal je net zien. Zit je in alle rust van je vakantie te genieten op een terras in het buitenland, gaat er een groep [vul in: stereotype X] Nederlanders naast je te zitten. Je wist al dat het Nederlanders waren toen je ze in de verte waarnam. Waar het ’m precies in zit weet je niet, maar het is overduidelijk. En waarom je het vervelend vindt weet je ook niet. Doen de Nederlanders je ergens aan denken? Te confronterend misschien?
Het is wat Luuk Faber overkomt in de openingsscène van Vaderland, de tweede roman van Dries Muus (1985). Luuk is veertien jaar geleden vanuit Amsterdam naar Madrid verhuisd. Hij schrijft daar voor de krant, woont samen met een fijne vriendin, heeft zijn zaakjes wel op orde.
Zie hem daar nou zitten: in zijn stamcafé met ‘antieke instrumenten aan de muren’, nippend aan een glas vermout, minding his own business.
En dan, als donderslag bij heldere hemel: ‘O God – Nederlanders.’
Hij blijkt ze ook nog eens te kennen. Heel erg goed zelfs. Studievrienden zijn het. Samen zaten ze in de redactie van faculteitsblad Non Scholae, een soort Propria Cures, zeg maar. Het komt allemaal terug: ‘dat meurende redactiehok’, ‘die oranje iMacs met post-its en zwart-witte auteursfoto’s’ en ten slotte ook ‘de confrontatie, het gemiste, nee, genegeerde telefoontje’.
Je voelt het al aankomen: er is in die periode iets gebeurd waar Luuk vandaan heeft willen vluchten. Het heeft vooral iets met Arnout te maken, kom je achter, de charismatische ex-boezemvriend van Luuk, de voormalige hoofdredacteur, bij wie hij nu plots ‘de subtiele tekenen van veroudering’ waarneemt.
Het is het begin van een what-happened-spanningsboog die het plot voortdrijft (de aap komt pas tegen het einde uit de mouw), maar die lang niet het sterkste onderdeel van Vaderland is.
Dat is namelijk het vakmanschap dat Muus aan de dag legt. Hij weet hoe hij een scène optuigt, een sfeer oproept, een personage beschrijft. Je ziet het voor je, je bent erbij.
Al in de openingsscène zit het hele boek: de plotontwikkeling (wat is er nu precies gebeurd en gaan we daarachter komen?), de thematiek (het verleden dat je niet kunt ontlopen), maar vooral het decor van het studentenblaadje waartegen het verhaal zich grotendeels in retrospectief afspeelt.
Er gaat een heerlijke romantiek van uit: ambitieuze jongvolwassenen zoals Luuk, krap het huis uit, die méér (of vooral: anders) willen dan het curriculum van hun studie voorschrijft, zich met alle ernst en tegen beter weten in op een nauwelijks gelezen studentenblad storten. Een beetje zoals de corpscultuur die Philip Huff in Niemand in de stad beschrijft: zo’n wij-tegen-de-restgevoel, maar dan inhoudelijker, intellectueler.
Het is onmogelijk om niet aan Nescio te denken. Want het zijn jongens, Luuk en Arnout – maar aardige jongens. Met hoogdravende idealen waarvoor de werkelijkheid uiteindelijk toch te weerbarstig blijkt. Arnout verwoordt het treffend: ‘Wat er van die groepsgewijze geestverwantschap nog resteerde was een jaarlijkse borrel plus etentje (…). Dat we desondanks toch bijna allemaal waren gezwicht voor zo’n doorsneeleven, dat we geen haar beter waren dan de massa, was natuurlijk helemaal zoals het eeuwenlang al ging, het moest zijn.’
Ja, precies.
Terug naar die spanningsboog, het plot, de opbouw van het boek.
Muus past een kunstgreep toe die vergelijkbaar is met wat Peter Buwalda in De jaknikker doet. Luuk komt erachter dat Arnout een roman aan het schrijven is over de periode waarvan hijzelf zo getraumatiseerd is geraakt. Op listige wijze (want zo is hij) steelt hij het manuscript. Halverwege Vaderland lardeert Muus het verhaal met stukken uit dat manuscript, inclusief het commentaar van Luuk daar weer op.
Is riskant, zo’n verhaal-in-verhaal-structuur. Het dreigt, ten eerste, de vaart eruit te halen.
Maar hier is het risico vooral: het wordt onvermijdelijk meta, je verwacht als lezer dat de schrijver je iets probeert te vertellen over hoe fictie werkt. Het is een signaal: let op, er gaat je iets verteld worden over hoe iedereen zijn eigen verhaal vormgeeft, hoe verschillende versies van de waarheid naast elkaar kunnen bestaan. Het helpt niet dat het manuscript van Arnout Versies van de waarheid is getiteld.
Je merkt het concreet aan zijdelingse zinsneden als: ‘wat deed het er nou toe, zo’n reeks opzichtig gestileerde, sterk vervormde terugblikken’. Ligt er meteen zo botervet bovenop.
Als Luuk het manuscript van Arnout uit heeft, wordt Muus ineens wel heel geestig in zijn metafictie: ‘De pagina’s over Non Scholae en die scharrels waren omwegen naar de Roelf Dulac-saga, grote kans dat al die stukken bij de eerste herschrijfronde sneuvelen. Een beetje redacteur zet er meteen een streep door, mag Luuk hopen.’
Muus verwoordt daarmee een heel voor de hand liggende kritiek op zijn eigen boek. Vind ik komisch, scherp ook. Maar dat hij die kritiek zelf formuleert, maakt haar nog niet minder geldig.
Dries Muus: Vaderland. Ambo Anthos; 218 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant