Onder dieren is vreemd, vaak onbegrijpelijk, maar eindeloos fascinerend. Jelinek sleept je mee met haar waanzinnige taal – de ware hoofdpersoon van het boek.
Natuurlijk moest ik bij Onder dieren van Elfriede Jelinek (1946) aan de klassieke fabels van Aesopus denken. Maar eerder nog dacht ik aan het 10de-eeuwse Arabische verhaal De zaak van de dieren tegen de mensen, waarin dieren een sublieme rechtszaak voeren tegen de mens, die hen als tweederangsburgers behandelt.
De bijtende monologen in Onder dieren, van duiven, een koe, een aap, vos, mol, zelfs het Lam Gods, een berenklauw en een hondenkadaver, gaan niet alleen tekeer tegen het misbruik van de dieren door de mens, maar vooral tegen het kapitalisme, hebzucht, corruptie, vreemdelingenhaat, de vernietiging van de natuur, oorlogszucht.
Doordat de dieren als uit één mond lijken te spreken, behalve een paar summier opgevoerde details over hun eigen soort (met name die van de koe en het varken zijn schrijnend) besef je dat het niet gaat om de dieren, maar om een nogal voorspelbare aanklacht tegen de mens. Bij een Nobelprijswinnares verwacht je dat er meer op het spel staat, maar wat dan?
Al vanaf de jaren zeventig schrijft Jelinek over het dolgedraaide geldsysteem, tot aan het in 2023 verschenen Persoonsgegevens, waarin ze beschrijft hoe de belastingdienst inzage eist in al haar papieren, persoonlijke brieven en e-mails. Nieuw is dat ze over onteigend Joods bezit schrijft (ze heeft een Joodse vader en een katholieke moeder).
In haar werk uitte ze altijd al stevige kritiek op de volgens haar corrupte Oostenrijkse maatschappij, waardoor men haar uitmaakte voor nestbevuilster en landverraadster. Ze schreef bijna elk jaar wel een toneelstuk, maar verbood meermaals uit woede de uitvoering ervan.
Ook nu spelen actuele Oostenrijkse schandalen een rol, zoals die rond vastgoedinvesteerder René Benko en belastingambtenaar Helga K., die topondernemers belastingvoordelen verleenden. Maar bovenal is de taal zelf hoofdpersonage, luister maar naar de das:
‘Het geld dat te ruste lag wil in beweging komen, en wat voorheen in beweging was wil rusten, maar plots is het er niet meer, het is te ver gegaan in zijn behoefte aan rust, zelfs verder dan de rust die nu eeuwig duurt, en wat eeuwig duurt, komt uiteindelijk goed, ooit. Er is niets meer. Het is weg. De beweging van mijn geld, zijn bekering tot het positieve, want er bestaat geen tijd waarin iets tegelijk kan rusten en in beweging kan zijn, waarin iets niet in beweging kan zijn noch kan rusten, die bekering van mijn vermogen, ten goede natuurlijk, werd mij uitdrukkelijk beloofd (…).’
Beweging is in Onder dieren een terugkerend motief, de beweging van het geld wordt verbeeld via de beweging van de zinnen; elegant, furieus, geestig neemt de taal de lezer (zoals het geld ons) op sleeptouw. Niet enkel als intellectueel taalspel, maar als allegorie op de fictieve wereld van het geld, dat niet meer wordt gedekt, met vervreemding en absurdisme tot gevolg – zelfs de das die praat zoals hij gangen graaft, komt er niet uit. Geld wordt iets mythisch, iets religieus met de bank als schepper: ‘de banken nemen, de banken geven’.
De dieren zijn verbijsterd over hoe iets kan ontstaan uit het huiveringwekkende niets en zetten de noties van de presocraat Parmenides op zijn kop, die beweerde dat het zijnde onbeweeglijk is, onveranderlijk, en dat iets niet uit niets kan ontstaan.
In de woorden van ‘EEN ANDERE HAAS’: ‘Hij [Parmenides] zegt dat hij niet zal goedkeuren dat jij zegt, dat je over het geld zegt, over de herkomst ervan uit de duisternis, of over iets anders wat even belangrijk is, laat staan dat je het begrijpt: het komt uit het niet-zijnde, nee, niet uit het nietszeggende zoals ik dat hier probeer te formuleren zonder dat het me lukt om het zelfs maar te kopiëren (…). Het zijnde werd dus toch gecreëerd en al opnieuw vernietigd, ja, zo snel kan ’t gaan, de bank heeft het krediet gecreëerd en u daarmee vernietigd, de schuldbemiddeling spert haar muil al open, het gras, kijk hoe het groeit, precies!, het geld, kijk hoe ook dat groeit, niet alles komt, er komt niets uit, alles groeit en verkommert niet. Niets verdwijnt.’
Een knipoog naar Ovidius.
De dieren verwijzen soms expliciet, maar veel vaker impliciet naar het werk van allerlei denkers (de binaire logica van Plato, Heraclitus, Wittgenstein, de arbeidsproductiviteit van Marx, Piketty, Schumpeter), waarbij ze hun ideeën naar eigen hand zetten, maar ze halen ook Homerus aan, Groucho Marx, en niet te vergeten God. De taal slingert associatief, bijt zichzelf in de staart; we begrijpen steeds minder wat we aan het lezen zijn, maar worden daardoor meer en meer medeplichtig aan het ondoorgrondelijke circus van het kapitalistische systeem – onze wil net zo ondergeschikt als die van de dieren. Op het eind ‘mogen alleen nog de doden spreken’, een fraaie vondst.
Door alles heen klinkt een diepe liefde voor het denken van de mens. Toch denk ik dat de tekst nog beter tot zijn recht komt in het theater, maar dan had ik naar de Salzburger Festspiele moeten gaan, waar Jelinek de regisseur alle vrijheid gaf en hem schreef dat hij zich geen zorgen hoefde te maken ‘omdat ze niet veel slimmer is dan de dieren in haar toneelstuk’.
Om verstandelijk begrijpen gaat dit werk niet, wel om je te verlustigen aan deze waanzinnige taal, die misschien wel meer waarheid toont dan feiten doen, zoals de duiven zingen: ‘Wat is hier nu fictie? De fictie is zoals de wereld, die is ook een fictie, de fictie is dus geen feit. Laten we het verstand beslissen? Nee, dat doen we niet.’
En zo schiep Jelinek fabelachtig iets uit niets.
Elfriede Jelinek: Onder dieren. Uit het Duits vertaald door Inge Arteel. Querido; 176 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant