Riek Verhoeven is 100 jaar. Pas zeven jaar geleden ging ze op zichzelf wonen en kocht ze haar eerste meubels.
Riek Verhoeven heeft 88 jaar lang bijna 24/7 voor gezinnen gezorgd en is niet anders gewend dan dat alles om een ander draait. Zou het daardoor komen dat de 100-jarige zegt ‘met drie kwartier wel uitgebabbeld’ te zijn over haar leven? Dat loopt iets anders, tot haar eigen verbazing.
Haar mooiste jaren beleefde de Brabantse in een huis dat ze met een schuine blik nog net kan zien vanuit haar aanleunwoning. Het was de woning van haar zus en zwager, bij wie ze 62 jaar inwoonde. Voor hun zes kinderen was ‘Ons Riek’ als een tweede moeder.
Waar bent u opgegroeid?
‘In Boskant, in een klein huisje naast een groot bos, heel afgelegen. Ik was de achtste van dertien kinderen. Met zeven meiden sliepen we op één slaapkamer, verdeeld over vier bedden. We konden goed met elkaar. Van ons huisje was het 5 kilometer lopen naar school, in het dichtstbijzijnde dorp Sint Oedenrode.
‘Mijn ouders hadden een goed huwelijk, ze straalden altijd. En dat met weinig geld en veel kindjes. Als er iets was tussen hen, dan gingen ze aan de voorkant het huis uit en kwamen even later aan de achterkant weer binnen. We hadden een grote moestuin, een koe, een varken en wat kippen. Mijn vader werkte als melkboer; hij haalde melk uit de fabriek en bracht die rond. Mijn moeder was altijd aan het werk in huis. Ze was een vlug vrouwke en kon koken als de beste. Je hoorde haar nooit zeggen dat ze moe was. Dat heb ik van haar, ik zit ook nooit te tutteren – en moe ben ik nog nooit geweest.
‘Twee kinderen stierven jong, een broertje en mijn oudere zus Tonnie. Ze was 22 jaar toen ze zich ineens niet lekker voelde, ze kon niks binnenhouden. De dokter kwam pas na anderhalve dag. Ze bleek maagverlamming te hebben en moest meteen naar het ziekenhuis. Na aankomst is ze op de brancard gestorven. Weet je wat haar laatste woorden waren? ‘Kijk, díé hebben het goed!’ Ze zag een dokter met iemand vrijen. Toch een mooi beeld voor je gaat.’
Raakte ook de grote buitenwereld jullie gezin?
‘De oorlog. En eerder, in 1932, een aardbeving. Ik weet het nog goed. Het was midden in de nacht, we lagen te slapen toen onze bedden begonnen te schudden. Bomen gingen met wortel en al om. De borden vielen stuk. Eén bord bleef heel, daar aten we met van z’n allen van.
‘Van de oorlog heb ik niet veel last gehad. We hoorden wel gevechten in het bos naast ons. Een Duitse soldaat richtte een keer zijn pistool op mijn broer Mies, die snel wegrende. Achter hem bleek een vrouw te staan met haar kindje op de arm. De Duitser raakte het kindje, dat op slag dood was. Een groot drama. De vrouw is daarna drie keer in de put gesprongen, en er drie keer weer uitgehaald.’
Mocht u als meisje uw eigen keuzen maken?
‘Nee, nee! Er was geld nodig. Net zoals mijn zes zussen ging ik ook jong werken als dienstbode. Twee van mijn vijf broers hebben wel doorgeleerd. Ik was nog een snotaap van 12 of 13 toen ik voor een gezin met zes kleine kinderen in Best moest zorgen. Alleen op zondag mocht ik naar huis, maar ik wilde niet bij die mensen blijven slapen en vertrok elke avond op de fiets, en keerde de volgende ochtend vroeg weer terug. Die man deed heel naar tegen zijn kinderen, hij sloeg ze. Die vrouw was heel lief, voor haar ben ik twee jaar gebleven. Daarna wilde ik weg en heb ik acht jaar bij het gezin-Timmer gewerkt en ingewoond. Ik zorgde voor de vier kinderen en het huishouden, de ouders waren druk met hun textielwinkel. Tijdens de oorlogsjaren kreeg ik goed te eten daar.’
Had u graag willen doorleren?
‘Ik denk het niet. Ik kon goed leren, maar zocht het niet en er was geen geld voor. Ik zat vaak achterstevoren in de schoolbank. Achter mij zat Trees, de dochter van de burgemeester, ze bleef mij maar vragen stellen. Op een keer zei ik: ‘Ik doe het niet meer, je moet nu zelf maar opletten.’ Op het schoolplein kwam ze op mij af en krabde met haar nagels mijn wangen open, tot bloedens toe. De onderwijzeres gaf mij een reep chocola. Ik heb Trees nooit meer iets voorgezegd.’
U bent op een gegeven moment het klooster ingegaan, hoorde ik van uw familie.
‘Die tijd heb ik weggepoetst. Ik was 24 jaar toen ik meende een roeping te hebben. Het viel mij zo tegen in het klooster in Veldhoven. Elke dag stond ik in de 36 meter lange keuken in grote ketels eten te koken voor vierhonderd zusters en de kinderen die daar op kostschool zaten. ’s Avonds hoorde ik de kindjes huilen, dat vond ik heel erg. Ik dacht: in de wereld kan ik ook goed werk doen, maakte een afspraak met de bisschop van Den Bosch en vroeg om mijn ontslag. Verder wil ik het er niet over hebben.’
Wat bent u daarna gaan doen?
‘Eerst ben ik drie maanden op een pastorie gaan werken, koken voor zes paters. Ik dacht: ‘Nee, dit was niet het plan’ en ben weggegaan. Mijn vier jaar jongere zus Oda had twee kleine kinderen en was hoogzwanger van de derde. Haar man had een smederij en zij stond zes dagen in de week in hun winkel met huishoudelijke artikelen. Ze kon wel wat hulp gebruiken. Twee dagen na mijn komst werd de baby geboren, het bleek een ongelukkig kindje met een waterhoofd en een open ruggetje. Ik bleef om voor het lieve menneke te zorgen, 2,5 maand later overleed hij. Op mijn nachtkastje staat een bidprentje voor hem.
‘Het is zo gelopen dat ik bij het gezin van mijn zus ben gebleven. Ik had een eigen slaapkamer en deed met alles mee. Ik kreeg een maandsalaris voor het huishoudelijke werk en de zorg voor de kinderen. Er kwamen er nog vier bij, die ik van jongs af aan heb zien opgroeien. We hadden vijf jongens en een meid. Ik wilde niet dat ze mij tante noemden, dat vond ik niet passend voor iemand die er altijd is. Dus was ik Riek, ons Riek.’
Hoe voedde u de kinderen op?
‘Opvoeden liet ik aan mijn zus en zwager over. Ik vulde de broodtrommeltjes, bracht de kinderen naar school, maakte de bedden op, deed de was, maakte schoon en kookte – twee keer per dag: tussen de middag voor mijn zus en zwager en ’s avonds voor de kinderen. Niemand kon zulke lekkere aardappeltjes bakken als ik.
‘Als de kinderen ruzie hadden, liet ik ze uitrazen, ik kwam er niet tussen. Zo vaak gebeurde het niet. Ik sprong voor ze in de bres als het nodig was, als ze bijvoorbeeld te laat thuis waren gekomen. Toen mijn zwager op zolder een doosje vond met losse onderdelen van de boormachine, zei ik niks. Een van de jongens was nieuwsgierig en haalde van alles uit elkaar. Kennelijk kon hij die boormachine niet meer in elkaar krijgen, en verstopte alles op zolder.’
Heeft u zelf een kinderwens gehad?
‘Nee. Ik had al kinderen, het gezin van mijn zus voelde ook als mijn gezin, heel eigen. Voor de kinderen was ik als een tweede moeder. Het was zelfs zo dat een schooljongen een keer vroeg: ‘Wie is nu jullie moeder, de dikke of de dunne?’ Mooi hè. Mijn zus was wat steviger dan ik.’
Bent u weleens verliefd geweest?
‘Niet echt. Ik heb wel kansen gehad, maar ik wilde het leven dat ik had niet kwijt. Ik kon de kindjes niet missen. Mijn zus zou zich ook geen raad hebben geweten zonder mij. We maakten veel met elkaar mee. Mijn zwager kreeg op zijn 39ste een hartinfarct, de helft van zijn hart was weggeslagen. Hij moest een streng dieet volgen, alles mager. Ik heb goed op hem gepast, hij is 82 jaar geworden.’
Hoe was het om op uw 93ste voor het eerst zelfstandig te wonen?
‘Drie jaar na het overlijden van mijn zus besloot ik te verhuizen naar een kleinere woning. Van mijn spaargeld kocht ik een kast en tafel met stoelen, mijn eerste spullen. In het begin was het wennen, maar ik kan mij goed aansluiten bij nieuwe situaties. Om half 10 heb ik de koffie klaar en komt er altijd wel iemand langs. Elke zondag komen alle zes kinderen om half 11 op bezoek, de kleinkinderen zijn er ook vaak bij. Ze vinden het natuurlijk ook leuk om elkaar te zien. Als ik alleen ben, lees ik de krant of een boek – nu een historische roman van meer dan duizend pagina’s. Ik hoop dat ik het op tijd uit krijg, haha.’
Voelt u zich nog thuis in deze tijd?
‘Ik kan goed begrijpen hoe mensen nu leven. In veel gezinnen zijn twee inkomens nodig, maar ik vind het moeilijk als kindertjes naar een dagverblijf worden gebracht. De meesten hebben het goed, al zijn er ook gezinnen waar dikwijls wordt gehuild, omdat ze het krap hebben. In mijn tijd was bijna iedereen arm. Dat was toen normaal. Ik kom uit een tijd van niks en leef in een tijd van veel.’
Riek Verhoeven
Geboren: 6 augustus 1926 in Boskant
Woont: zelfstandig, in Liempde
Familie: nog vijf neven en een nicht, 19 achternichten en -neven
Beroep: gezinsverzorger
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant