Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Politiechef Yvonne Hondema (54) rende als groentje tegen een mensenstroom in naar een vuurgevecht. ‘Mijn hart klopte in mijn keel.’
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik was net agent en nog een groentje, die bewuste nachtdienst in 1999. We hadden twee keer bij een nachtclub bemiddeld tussen de portier en bezoekers die van hem niet naar binnen mochten. Het probleem werd niet echt duidelijk, maar we stuurden die bezoekers twee keer weg.
‘Tegen het eind van de ochtend gebeurde het. Op ons bureau in Utrecht-Noord rinkelde de rode telefoon, zo’n ouderwets toestel met een hoorn en een draadsnoer, waarop een sticker zat met het woord ‘hotline’. Het was de directe lijn met de meldkamer. Als die overging, wist je: dit is ernstig.
‘Ik nam op en hoorde: ‘Nú naar de Amsterdamsestraatweg, daar wordt van alle kanten geschoten!’ Dat was bij de nachtclub waar we die dienst al twee keer waren geweest. Kees en ik reden er als gekken naartoe.
‘Onderweg hoorden we dat er binnen en buiten de club en boven op het parkeerdek werd geschoten en iemand zwaargewond was. Ik had een ongemakkelijk gevoel. Door mijn hoofd spookte steeds: hebben wij dat vannacht wel goed opgelost? Hadden we beter iemand kunnen aanhouden in plaats van wegsturen?
‘Bij aankomst zagen we een stroom gillende mensen die panisch wegvluchtten. We hoorden over en weer schieten, de kogels vlogen letterlijk om onze oren. Het was nog donker en heel onoverzichtelijk. Mijn hart klopte in mijn keel, we hadden geen idee wat we zouden aantreffen. ‘Blijf achter mij lopen’, zei Kees hoewel hij, net als ik, nog maar net bij de politie was.
‘Terwijl er nog steeds werd geschoten, renden wij tegen die mensenmassa in naar het bedrijfsverzamelgebouw waar de club zat. Binnen was het beangstigend stil. We liepen de trap op naar de nachtclub op de eerste verdieping. Voor de deur, die wagenwijd openstond, was heel duidelijk een bloedspoor te zien. In de grote zaal lagen stoelen en tafels omver, de vloer was bezaaid met gebroken glazen. Er lagen niet alleen kogelhulzen, maar ook verdovende middelen. Heel surreëel. Je zag meteen: hier heeft iedereen alles uit z’n handen laten vallen om te vluchten.
‘We zochten het zwaargewonde slachtoffer, maar troffen niemand aan. Later bleek dat het om de portier ging; kennissen hadden hem in een auto gestopt en naar het ziekenhuis gereden. Kees en ik gingen naar het parkeerdek van de club, waar ook overal kogelhulzen lagen. Ook daar was niemand meer.
‘Zodra we weer beneden kwamen, wemelde het er van de politiecollega’s. Kees en ik hebben de plaats delict ruim afgezet, we moesten die nog een poos bewaken. Overal, op het parkeerdek, in de club en buiten op straat, werden bordjes geplaatst waar de forensische opsporing kogelhulzen en ander bewijsmateriaal had gevonden. De hoeveelheid ervan drukte uit hoe heftig daar was geschoten.
‘Pas halverwege de ochtend werden we afgelost. Eerst dronken we koffie op het bureau, even stoom afblazen. Ik was de enige vrouw en had de minste ervaring van iedereen. Toen een collega voor de grap zei: ‘Als jullie vannacht beter jullie best hadden gedaan, was dit allemaal niet gebeurd’, viel dat bij mij helemaal verkeerd. Ik zei dat ik dat een oncollegiale opmerking vond.
‘Met een man of twaalf gingen we debriefen. Dan wordt eerst aan iedereen gevraagd: ‘Ben jij oké?’ Ja, iedereen was oké, Kees ook. Ik vond die schietpartij nogal heftig, ik had me op verschillende momenten afgevraagd of Kees en ik wel ongeschonden zouden thuiskomen. Maar ik wilde niet onderdoen voor de rest en zei dat ik ook oké was. Daarna vertelde iedereen over zijn rol en gingen we alles op papier zetten.
‘Vanwege die schietpartij was de districtschef speciaal naar het bureau gekomen. Toen ik na de debriefing door de gang liep, zei hij: ‘Yvonne, wacht even.’ Hij keek me aan, sloeg heel vaderlijk een arm om me heen en zei: ‘Hoe gaat het écht met je?’ Dat voelde heel... Ik voel het nu weer. Kippenvel. Op dat moment kwamen de tranen.
‘Dit was voor mij een belangrijk en leerzaam moment, dat ik in mijn eigen leiderschap altijd heb meegenomen en toegepast. Na een heftig incident is het nodig dat iemand gezien en opgevangen wordt. Ik hield me groot, maar de districtschef doorzag dat. Hij maakte ruimte voor mijn emoties. Dat was nodig, dat brak de spanning.
‘Zulke emoties moeten eruit, ze dragen bij aan het verwerken van een situatie. Wij maken natuurlijk veel mee. Als je dat allemaal bij je houdt, stapelt het zich op en komt het er toch een keer uit.
‘Ik vroeg Kees later: ‘Wat maakte nou dat we tijdens die debriefing allebei zo stoer deden?’ Want Kees was ook aangedaan door de situatie. Hij wist het ook niet, maar hij antwoordde dat hij maar één ding voor ogen had: mijn veiligheid. Dat vond ik zo ontzettend mooi. Dat is net zoiets als die vaderlijke arm van de districtschef: dat zal ik nooit vergeten.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant