Over drie jaar hoopt de Europese Centrale Bank de digitale euro in te voeren, met daarbij een offline portemonnee voor kleine bedragen. Dat idee doet denken aan de in 2014 ter ziele gegane Chipknip.
is verslaggever macro-economie bij de Volkskrant. Hij volgt de wereld van de aandelenbeurzen, de grootbanken en het monetaire beleid.
‘De Chipknip is wat mij betreft een nodeloze uitvinding geweest’, schreef columnist Aaf Brandt Corstius eind 2014 in de Volkskrant. ‘Zoiets als de minidisc en dat hoofdmassageding dat iedereen al drie keer voor zijn verjaardag heeft gekregen.’
Voor de dertigminners: de Chipknip was een apart pasje waarop je geld kon laden en waarmee je kleine bedragen kon betalen, bijvoorbeeld bij parkeerzuilen, snoepautomaten en bedrijfskantines. Het pasje bestond van 1995 tot 2014. Op het hoogtepunt, in 2010, werd er 178 miljoen keer mee betaald in Nederland. Dat was een fractie van het totale aantal pasbetalingen van ruim 2,2 miljard in dat jaar. De verwachtingen waren torenhoog, maar consumenten hebben de Chipknip nooit omarmd.
Toch maakt een Chipknip-gelijksoortige over een paar jaar mogelijk een comeback. De Europese Centrale Bank wil per 2029 de digitale euro invoeren, een hightech-variant van contant geld. Onderdeel van het plan: een offline portemonnee voor kleine bedragen, die je eerst vanaf je reguliere bankrekening moet laden met euro’s.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
De digitalisering van het betalingsverkeer kent een boeiende geschiedenis, blijkt op een achenebbisj bedrijventerrein in Amsterdam-Zuidoost, waar het bedrijfsarchief van ING huist. Jacoline Bodewes, curator van de historische collectie van de bank, legt uit hoe de overheid in 1881 de Rijkspostspaarbank oprichtte, gericht op de gewone werknemer die door de stijgende lonen de mogelijkheid had om kleine bedragen te sparen. In 1918 volgde de Postcheque- en Girodienst, volgens Bodewes ‘de eerste vorm van thuisbankieren’.
Thuisbankieren was toen nog mensenwerk. Er kon vanuit huis opdracht worden gegeven om geld over te schrijven, maar op de rijksbankkantoren verwerkten medewerkers al die enveloppen. Met ponskaarten brachten zij de rekeningen op orde.
Maar in 1923 had de Rijkspostspaarbank het onzalige idee om in één nacht volledig over te stappen op de toen hypermoderne ‘tabuleermachines’ van IBM: grote apparaten die razendsnel ponskaarten konden verwerken. Het ging gigantisch mis. Alle kaartjes in de war, medewerkers moesten klanten bellen om te vragen of zij misschien nog wisten hoeveel geld er op hun rekening stond.
Door dit trauma duurde het tot 1962 voordat de volgende grote digitaliseringsstap werd gezet. De bank kocht de IBM 1401 (in het archief staat één van de weinig wereldwijd overgebleven exemplaren) en daarmee de eerste commerciële computer.
In 1976 volgde de eerste pinautomaat om geld uit de muur te trekken en in 1985 de eerste pinbetalingen aan de kassa. Benzinestations uit de regio Eindhoven en Tilburg begonnen met de proef: het waren afgelegen plekken en dus gevoelig voor overvallen als er te veel cash in de kassa zat. En de regio was ook toen al ‘tech-savvy’ en wel te porren voor technologische innovatie.
En zo komen we in 1991 uit in Woerden, bij de eerste proef met de Chipknip. Het probleem met pinnen was, zegt Bodewes, ‘dat dataverkeer relatief traag was, en duur, zo ongeveer 25 cent aan kosten per keer. Niet handig voor kleine bedragen.’
Een ander probleem, zegt Arjan Bol, directeur van Betaalvereniging Nederland, was ‘dat het altijd de Postbank (de private opvolger van de Rijkspostspaarbank, red.) tegen de andere banken was. Rekeningnummers hadden bij de Postbank zeven cijfers of minder, bij de andere banken negen. Enzovoort.’
Postbank dacht een betere kaarttechniek te hebben en kwam op het allerlaatste moment met een eigen variant van de Chipknip: de Chipper. Bol: ‘Dat was fout één. De banken gingen concurreren met twee oplossingen voor één probleem. Waarop de winkeliers, die twee kastjes op hun toonbank moesten zetten, zeiden: laat maar zitten.’
Ondertussen schreed de techniek voort: internet kwam op, pinnen werd sneller en goedkoper, alle bankpassen kregen een chip (veel veiliger, en met meer rekenkracht en geheugen) in plaats van een magneetstrip. Toch al nooit geliefd, werd de Chipknip snel overbodig.
Het verhaal gaat, zegt Bol, dat er bij de Postbank een promovendus van Harvard meeliep. Hij zou de succesvolle Chipper moeten beschrijven in een casestudy voor de Harvard Business School. Die studie kwam er, maar vooral om te waarschuwen zo’n project nooit meer op poten te zetten.
Zouden ze die aanbevelingen op het hoofdkantoor van de ECB ook gelezen hebben?
Source: Volkskrant