van de Goor is huisarts.
‘Veel te jong gestorven, op de leeftijd van 88 jaar.’ Zo begon de rouwbrief van mijn oudoom. Hij had de tekst van tevoren zelf geschreven. Humor voor bij de kist.
Heeft u al een sterfplan?
a. Gewoon op een ochtend op m’n 84ste niet meer wakker worden.
b. Rock-’n-rollstyle: vanaf m’n 70ste komen de sloffen sigaretten en de fles whisky weer in huis, en dan zien we wel waar het schip strandt.
c. Doe maar dementie, lekker met een dekentje voor de tv en zo langzaam uit het leven wegglijden.
d. Op m’n 60ste, voordat het aftakelen begint. Bovendien krijgen jonge mensen vaak een veel indrukwekkender begrafenis.
e. Ik ben aan het sparen om me te laten invriezen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Wat is een goed moment om dood te gaan? Als iemand van 88 jaar nog gezond is, iedere dag een stuk fietst, plannen maakt en geniet van het leven, en op een ochtend niet meer wakker wordt, zal vrijwel niemand zeggen dat het wel tijd was. Zo onverwacht, zeggen we dan, hij was nog zo goed, vorige week zat hij nog op de fiets.
Deze week overleed een patiënte van mij door euthanasie. Ze was oud en lichamelijk op, ze had jaren van pijn, moeheid en periodes van benauwdheid achter de rug. De dingen die haar leven de moeite waard maakten, waren er nog steeds: een goed gesprek, haar kinderen en kleinkinderen, een bezoek aan een museum. Alleen kostten die haar steeds meer energie en waren er steeds meer dagen waarop ze die energie helemaal niet had.
Voordat ik haar de injecties gaf, vroeg ik haar nog een keer of ze er klaar voor was. Ja, zei ze vastberaden. Enkele minuten later was ze overleden, haar zoons naast haar. Het was een mooi overlijden. Haar zoons begrepen haar keuze en voor mij als huisarts was haar wens invoelbaar. Zonder de jaren van achteruitgang die daaraan vooraf waren gegaan, was dat waarschijnlijk anders geweest.
Dementie lijkt veel patiënten op mijn spreekuur nog erger dan lichamelijke aftakeling. Er zit dan bijvoorbeeld een gezonde vijftiger tegenover me die alvast afspraken probeert te maken voor over dertig jaar. Of ik euthanasie wil geven als hij tegen die tijd dement is. Want zo wil hij echt niet eindigen. De vijftiger gruwt bij het idee dement te worden, terwijl hij dertig jaar later misschien rustig in een stoel zit, zonder pijn of angst en zonder dood te willen.
Ik hoop zelf ook redelijk oud te worden en daarbij mijn verstand en lichaam een beetje fatsoenlijk te kunnen blijven gebruiken. Alleen weet ik niet goed hoe je heel oud moet worden zonder oud te worden. Er gaat op een gegeven moment toch iets stuk, lichamelijk of geestelijk. Soms is het lichaam eerder op terwijl het hoofd nog van alles wil, soms trekt de geest zich langzaam terug terwijl het lichaam het nog behoorlijk doet. Ik zou iedereen die ellende graag besparen, maar hoe moet het dan?
De enige zekere manier om eraan te ontkomen is eerder doodgaan.
Aftakeling heeft één voordeel: je krijgt tijd om aan de dood te wennen. Ik zie genoeg ouderen die op een gegeven moment naar de dood verlangen. ‘Het was goed zo, hij kon niet meer’, klinkt het dan aan de koffietafel.
Zo komt de dood nooit uit: te vroeg voor wie nog volop leeft, te laat voor wie eerst heeft moeten aftakelen.
Mijn oudoom besloot het probleem voor ons op te lossen. Hij schreef zelf alvast wat er na zijn begrafenis bij de koffie over zijn overlijden gezegd kon worden.
Veel te jong gestorven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant