Bam, ik word frontaal aangereden door een jongen van een jaar of 15 op een fatbike. Hij rijdt op de stoep, ik ben aan het hardlopen. Hij roept dat ik toch ‘aan de fucking kant’ had kunnen gaan, waarop ik overdrijf en terugroep dat hij helemaal ‘fucking gek’ is geworden, waarna hij met hangende schouders van zijn bike stapt en wegloopt. Beteuterd en geschrokken, net als ik.
Eenmaal thuis blijkt mijn fiets gestolen. Stom, ik had ’m ook alleen op het ringslotje gezet, niet op het kettingslot. Beginnersfout, natuurlijk. Als Rotterdammer van origine had ik moeten weten dat het fenomeen ‘bezit’ in Amsterdam democratischer opgevat wordt dan elders.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Vorige week startte mediaminister Rianne Letschert de procedure om de erkenning van omroep Ongehoord Nederland (ON) in te trekken. De omroep past simpelweg niet in ‘ons bestel’, zo verwoordde nota bene Annabel Nanninga van JA21 het in de Tweede Kamer. Dat bestel is gebouwd op het oubollige, verzuilde idee dat er maatschappelijke groepen of stromingen bestaan met een herkenbaar wereldbeeld die een eigen geluid verdienen. Samen vormen de omroepen een zelfportret van Nederland als happy family. Iedereen een eigen plekje.
Ongehoord Nederland wil heel graag ook op die foto staan. Best moeilijk, want het wereldbeeld is een negatief. In de woorden van oprichter Arnold Karskens is ON er voor iedereen die tegen massa-immigratie is, tegen klimaatgekte en tegen de Europese Unie. O ja, en voor Zwarte Piet.
Toch stelde de Raad voor Cultuur in 2021 dat ON een herkenbare stroming vertegenwoordigt van mensen die zich vervreemd voelen van de politiek: ‘De publieke omroep moet ook voor hen een plek blijven waar zij zich thuis voelen en waar zij zielsverwanten treffen.’
De ongehoorden moeten gehoord worden, maar is de negatieve zuil een herkenbare stroming? Bovendien zou de stroming, als de ongehoorden zich gehoord wanen, moeten stoppen met stromen.
Blijkbaar lost het gehoord worden het zich ongehoord voelen niet op. De Duitse filosoof Eva von Redecker beschouwt extreemrechtse politiek als de mobilisering van pijn en angst die veroorzaakt is door bezit dat zou zijn afgepakt: ons land, onze cultuur, onze stem. De pijn is oprecht, maar het gestolen bezit is nooit werkelijk in bezit geweest. Von Redecker spreekt daarom van het verlies van fantoombezit.
In de hoop die pijn te verlichten is de aanklacht ongehoord te zijn jarenlang door ‘ons bestel’ behandeld als herkenbare, coherente stroming. Daarmee hebben ‘we’ van een trits aan ergernissen en angsten één samenhangend iets gemaakt: de stem van de ongehoorden. De legitieme eigenaar van deze stem, van dit bezit, zou dan het publiek zijn van ON. De NPO heeft daarmee als dokter Frankenstein een nieuw ‘publieke-omroeppubliek’ gecreëerd. Een publiek dat zich nu dus bestolen voelt van hun fantoombezit: het geluid van ON.
De discussie rondom ON draait nu dan ook vooral om het eigendomsrecht van dat geluid. Wie gaat het vertolken als ON weg is? Opvallend, want gehoord worden is geen democratisch recht. Dat alles gezegd moet kunnen worden, betekent niet dat alle politieke ideeën ook behandeld moeten worden als ‘bezit’ van een eigenaar die gehoord moet worden. Als we dat wel doen, en dat doen we, verzandt een debat over ideeën in een strijd om representatie. Past iedereen op de groepsfoto? Beetje indikken, cheese!
Het wegknippen van ON uit die foto is de perfecte conclusie van dit verhaal: censuur! Maar de ongehoorde geest is natuurlijk allang uit de fles. Zo zag ik op YouTube een kritische reportage van Nieuwsuur over de plannen en de monsterzege van de AfD in Oost-Duitsland, met daaronder duizenden jubelende reacties. ‘Nu Nederland nog.’ Als dat het ongehoorde geluid is, leeft het zegevierend voort, ook binnen ‘ons bestel’.
Natuurlijk is de verwijdering van ON een aangelegenheid van de publieke omroep, maar de manier waarop we de politieke discussie voeren legt een bredere kortsluiting bloot. De opzet van ‘ons bestel’ heeft ons namelijk in een bepaalde manier van categorisch denken gedwongen die uitgaat van groepen die geluiden bezitten en aan dat bezit het recht op een plek ontlenen.
Onterecht, want de publieke sfeer zou van iedereen moeten zijn en dus vooral van niemand. Als politieke geluiden wél als bezit worden beschouwd, is het niet gek dat de hakken in het zand gaan en van mening veranderen als verraad wordt gezien. Vooral is het niet gek dat iedere begrenzing van zo’n geluid wordt ervaren als diefstal. Maar de publieke sfeer is geen privébezit.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant