Home

‘Eenmaal in Nederland kreeg ik bij taalscholen te horen: u bent blind, daar kunnen wij niet mee omgaan’

De blind geboren Hossam Althakali ontvluchtte in oktober 2015 met zijn vader de burgeroorlog in Syrië. Hoe ervaar je een oorlog, vlucht en integratie in een nieuw land als je niets kunt zien?

De blind geboren Hossam Althakali ontvluchtte in oktober 2015 met zijn vader de burgeroorlog in Syrië. Hoe ervaar je een oorlog, vlucht en integratie in een nieuw land als je niets kunt zien?

De voordeur van Hossam Althakali (33) staat al wagenwijd open als zijn bezoek arriveert. Na de begroeting en een kop thee verontschuldigt de Brabander zich dat hij juist op dit tijdstip is gevraagd even te tolken voor een Arabisch-sprekende vrouw, tijdens haar afspraak met een arts. Dat kan telefonisch. Vloeiend schakelt hij tussen de twee talen. Alleen bij het woord ‘neustussenschotje’ fronst hij zijn wenkbrauwen en vraagt de specialist om uitleg.

Hossam Althakali vluchtte elf jaar geleden met zijn vader uit zijn geboorteland Syrië naar Nederland. Hij werkt als tolk en vertaler Arabisch-Nederlands en andersom, noodgedwongen vanuit huis. Op aandringen van zijn omgeving koos hij voor omscholing in dit vak, omdat hij al zo veel mensen gratis en voor niets hielp. Poëtisch verklaart hij zijn aanvankelijke aarzeling: ‘Taal is als de zee, er is een begin maar geen eind.’

Had u als tiener een jongensdroom?

‘Rechter worden. Al jong wilde ik bijdragen aan meer gelijkheid en rechtvaardigheid. Ik trok mij verhalen aan over oneerlijkheid en discriminatie, nationaal en internationaal. Ik wilde rechten studeren aan de Universiteit van Damascus, maar ik had niet genoeg examenpunten om toegelaten te worden. Ik koos voor sociologie. In het vierde en laatste jaar moest ik mijn studie helaas afbreken, omdat ik vluchtte voor de burgeroorlog in Syrië.’

Hoe was uw leven voordat de oorlog in 2011 uitbrak?

‘Tot die tijd was het veilig. Ik woonde met twee broers en een zusje bij mijn ouders. Mijn vader was kapper en taxichauffeur. Met mijn oudste broer was hij een schoenenwinkel begonnen, waarmee we hoopten het financieel beter te krijgen.

‘Ik ben blind geboren en opgegroeid in Damascus. Op een blindenschool volgde ik basis- en middelbaar onderwijs. De oorlog begon toen ik 18 was en inmiddels eerstejaars sociologiestudent. Ik was blij dat ik eindelijk meer dingen zelfstandig kon doen, zoals vrienden opzoeken en de bus nemen naar de universiteit en naar basketbal voor visueel beperkten. Daar kwam een eind aan toen het te gevaarlijk werd in onze wijk Yarmouk in Damascus, door gevechten tussen het regeringsleger en oppositiegroepen.

‘Zoals de meeste burgers waren wij geen partij in het conflict. Onze hele wijk is kapotgemaakt, ons huis en de winkel ook. Daarvoor waren we voor onze veiligheid al in een ander deel van de stad gaan wonen, in het huis van familie, ver van het centrum. Daar kende ik de weg niet en moest je een lang eind lopen om bij een bushalte te komen. Ik verloor een groot deel van mijn zelfstandigheid.’

In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?

Hoe beleef je een oorlog als je niks kunt zien?

‘Ik schrok nog meer van onverwachte geluiden dan anders, omdat ik wist dat er altijd gevaar dreigde, maar niet waar. Zelfs van een klop op de deur schrok ik, want iedereen kon zomaar worden gearresteerd door de veiligheidsdienst en in de gevangenis belanden, waar werd gemarteld.

‘Een keer liep ik alleen over straat met mijn blindenstok, op weg naar de universiteit, toen ik een explosie hoorde. Iedereen begon te rennen. Ik kan niet in mijn eentje wegrennen, want ik weet niet welke kant ik op moet en waar obstakels zijn. Ik pakte de eerste persoon die ik voelde vast bij haar arm en rende met haar mee tot we bij een veiligere plek waren. Gelukkig maakte zij zich onderweg niet los van mij.

‘Mijn ouders maakten zich zorgen en wilden dat ik tijdelijk stopte met studeren. Maar ik wilde door; ik schatte in dat de oorlog nog lang zou duren omdat steeds meer landen zich ermee gingen bemoeien en wapens leverden. Je kunt niet al die tijd binnenblijven.’

Wat deed jullie besluiten te vluchten?

‘Na vier jaar oorlog was de wanhoop groot. Het dagelijks leven werd moeilijker; we hadden geen eigen huis en winkel meer, en weinig inkomsten. De keuze was: in Syrië blijven met een grote kans te sterven, of vluchten, met veel risico’s maar met een perspectief op veiligheid. Mijn oudere broer vertrok als eerste, een maand daarna vluchtten mijn vader en ik.

‘Syriërs die al weg waren, adviseerden naar Nederland te gaan. We kozen een dag waarop het redelijk rustig was, 14 oktober 2015. We namen een tasje mee met een paar noodzakelijke spullen. De hele reis hield ik mijn vader vast aan zijn arm. Onderweg hadden we een beetje geluk, waardoor we al na veertien dagen in Nederland waren.

‘We reisden met een auto, bus, trein, te voet en een boot. De grens met Turkije moest je ’s nachts rennend over, want wie werd gezien kon worden gearresteerd en teruggestuurd. Vlak voor de oversteek belde mijn moeder, ze huilde. Ze had spijt dat ze mij had laten meegaan. ‘Kom terug’, zei ze. Ik snapte haar, want ze is een moeder, maar ik zei: ‘We zijn bijna in een ander land, nog maar een paar stappen.’

‘In Turkije reisden we door naar een kennis in Izmir. Hij wist dat er die nacht een bootje naar Griekenland zou gaan. Mijn vader vroeg wat ik wilde. Ik had hoofdpijn en koorts, maar zei: ‘Ik wil mee.’ Ik was bang dat we niet verder zouden komen als we zouden wachten. Niet lang daarna sloot Griekenland de grens voor vluchtelingen.’

Hoe beleefde u de overtocht naar Griekenland?

‘Iedereen was bang. De boot ging soms zo scheef dat hij leek om te slaan. Ik hoorde veel mensen schreeuwen en huilen. Ik zat naast mijn vader, die heel stoer was en mij het gevoel gaf: we gaan het redden. Voordat we op de boot waren gestapt, had hij iets gezegd wat mij moed had gegeven: ‘Palestina hebben we nog nooit gezien. Als we Nederland halen, kunnen we misschien een Nederlands paspoort krijgen en ooit Palestina bezoeken.’

‘Mijn grootouders zijn in 1948 als kinderen met hun ouders uit een dorp in Palestina naar Syrië gevlucht. (Tijdens de Nakba werden ruim zevenhonderdduizend Palestijnen verdreven uit Palestina, red.) Palestijnen kregen in Syrië alle kansen om te werken en studeren, maar geen paspoort, waardoor ze stateloos waren. Ik heb veel gevoelens voor mijn geboorteland Syrië. Maar net zoals mijn ouders ben ik opgevoed met de boodschap dat Palestina ons moederland is.’

Wat staat u bij van de aankomst in Nederland?

‘De eerste indruk was heel positief. Na een lange reis door Griekenland, Macedonië, Servië, Kroatië, Slovenië, Oostenrijk en Duitsland stapten we ’s avonds doodmoe uit op het station van Enschede. We gingen op zoek naar een politiebureau om ons te melden. Een echtpaar dat bezig was de deur van hun kledingwinkel te sluiten, vroegen we in het Engels de weg. Ze brachten ons met de auto. We waren heel dankbaar, ze hadden ook kunnen zeggen: ‘Eerste links, tweede rechts, veel succes.’

‘Op het politiebureau mochten we slapen in een politiecel. De volgende ochtend kregen we een ontbijt en dagkaart om naar Ter Apel te reizen. Daar was het heel druk. Na een paar dagen konden we naar een azc in Heerhugowaard. Na vijfenhalve maand werden we opgeroepen door de IND, vergeleken met nu heel snel. Met een verblijfsvergunning zaten we nog vijf maanden in een azc in Maastricht, totdat we een eengezinswoning kregen in Oosterhout. Mijn moeder, broertje en zusje kwamen anderhalf jaar na ons met het vliegtuig naar Nederland.’

Hoe vond u uw weg, met uw visuele beperking, in een vreemd land?

‘In een revalidatiecentrum leerde ik hoe ik mezelf kon redden, hoe alles in Nederland werkt en over de cultuur. Ook kreeg ik mijn eerste taallessen. De hele dag hoorde ik Nederlands.

‘Ik was heel blij dat ik in 2018 zelfstandig kon gaan wonen, na al die jaren van afhankelijkheid. In het begin had ik thuiszorg. Toen bleek dat een hulp geld van mij had gestolen, voelde ik geen vertrouwen en veiligheid meer. Ik zocht uit wat de regels zijn en kwam erachter dat ik recht had op een persoonsgebonden budget, zodat ik zelf een betrouwbare hulp kon kiezen. De gemeente wilde dat ik thuiszorg bleef gebruiken. Ik zocht juridisch advies en na veel moeite kreeg ik toch een pgb.

‘Maar toen begon het drama. Ik wilde beter Nederlands leren om te kunnen studeren, maar het bleek onmogelijk om een taalschool te vinden. Ik kreeg te horen: ‘U bent blind, daar kunnen wij niet mee omgaan.’ Na lang zoeken kwam ik terecht bij de UAF, een organisatie die gevluchte studenten steunt. Met hun hulp vond ik toch een taalschool.

‘Ik meldde mij aan voor de mbo-4-opleiding juridisch en administratief dienstverlener. Ik voldeed aan de voorwaarden, maar werd afgewezen. Daarna leerde ik voor een hoger taalniveau, B2, en deed staatsexamen. Ik werd toegelaten op een hbo-opleiding rechten – en vlóóg van blijheid. Maar de begeleiding was slecht, lesmateriaal en toetsen waren ontoegankelijk voor blinden, en medestudenten wilden niet met mij samenwerken. Ze lachten me uit. Na twee maanden ben ik gestopt. Daarna heb ik het een tijdje heel moeilijk gehad.

‘Het lukte met hulp van een arbeidsdeskundige om voor een jaar werk te vinden als tolk bij een onderwijsinstelling. Daarna kon ik aan de slag in restaurant Zwart in Breda. Corona kwam en het restaurant werd verkocht. Zoals je merkt: heel veel pech.

‘Als tolk en vertaler lukt het mij nu nog niet om genoeg te verdienen, daarom krijg ik aanvullende bijstand. Bij het UWV heb ik een taxivergoeding aangevraagd, zodat ik ook op locatie kan tolken, meer opdrachten kan aannemen en financieel onafhankelijk kan worden. Het verzoek is afgewezen.’

U kent aardig de weg in de Nederlandse bureaucratie.

‘Er zijn twee opties: stil blijven zitten en niet verder komen, of op zoek gaan en voor je rechten opkomen – misschien levert het iets op. Ik hou van uitzoeken wat de regels en mogelijkheden zijn. Zo ben ik ook lid geworden van tandemclubs, heb ik een fietsmaatje, zit ik op zwemles en train ik in clubverband voor het NK showdown. Dat is een aangepaste vorm van tafeltennis voor blinden en slechtzienden; aan het balletje zit een belletje.’

Waar haalt u al uw veerkracht vandaan?

‘Ik ben optimistisch én realistisch. Ik hou altijd hoop en blijf dromen. Als iets niet lukt, heb ik het in ieder geval geprobeerd. ’

De burgeroorlog in Syrië (2011-2024) begon met vreedzame demonstraties van burgers voor meer burgerrechten en hervormingen onder het regime van president Bashar al-Assad. Regeringstroepen sloegen de protestbijeenkomsten met geweld neer, waarbij tienduizenden burgers omkwamen. Anderen werden gearresteerd, gemarteld en geëxecuteerd in detentie.

Uiteenlopende gewapende groepen, van gematigd tot extremistisch, gingen de strijd aan voor een omwenteling in het land, daarbij gesteund door onder meer de VS, Europese landen en de Golfstaten. Het Assad-regime kreeg (militaire) hulp van Iran en Rusland.

Het Westen raakte vanaf 2014 dieper betrokken toen terreurorganisatie IS in Syrië en Irak een kalifaat uitriep. De burgeroorlog kostte ruim een half miljoen mensen het leven. Twaalf miljoen burgers sloegen op de vlucht. 1,3 miljoen van hen vonden veiligheid in Europa, onder wie ruim honderdduizend in Nederland.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next