Home

De werkelijk ongehoorden zien we zelden, en begrijpen we nauwelijks

Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Vreemd, hoe je hoofd soms wel weet op welk deel de nadruk moet liggen, maar je hart er soms met een ander deel vandoor gaat. Dinsdag stond een vertegenwoordiger van de melkveehouders voor de Nieuwsuur-camera. In reactie op de sabotageacties aan het spoor, mogelijk het werk van dol geworden agrariërs, zei hij: ‘Mensen die niet gehoord worden, mensen die met hun rug tegen de muur staan, gaan rare dingen doen.’

Het zwaartepunt in de zin lag op ‘rare dingen’, gevolgd door ‘rug tegen de muur’. Maar ik bleef hangen aan ‘niet gehoord’. Luisteren naar gevoelsongehoorden heeft zelden effect. Zelf heb ik een kind van 2. Naar haar wordt vrij veel geluisterd, en toch voelt zij zich meerdere keren per dag ongehoord.

Er is een probleem met mensen die niet gehoord worden: je hoort ze niet. Soms worden zij vertegenwoordigd door mensen die wel van zich kunnen laten horen – familieleden, vrienden, mensen die namens hen spreken, omdat ze zich kunnen voorstellen hoe het moet zijn om ongehoord te zijn, om oud te zijn, chronisch ziek te zijn, op de vlucht, in de war of eenzaam. En er is de groep waaraan miljoenen van ons nooit worden blootgesteld, en waarvan we ons met geen mogelijkheid kunnen voorstellen hoe het moet zijn om zo te zijn. Die mensen, meervoudig verstandelijk en lichamelijk beperkten, komen alleen bij uitzonderlijke misstanden in de krant, of op tv, en figureren sporadisch in Kamerdebatten. In een wereld waarin iedereen zijn eigen aandacht opeist, desnoods met geweld, blijven mensen die al met weinig begonnen zijn in de regel met nóg minder achter.

Sinds deze week is er op woensdagen Zoals het komt (VPRO), waarin Nicolaas Veul stageloopt bij zo’n instelling in een bos. Ik heb de serie al bijna helemaal vooruit bekeken. Hij greep me zeer aan. Mogelijk omdat ik zelf een groot deel van mijn leven geregeld een vergelijkbare instelling heb bezocht. Omdat ik de bomen rond dat soort terreinen heb horen mompelen. Omdat ik een indruk heb van hoe de zorg over één leven het leven van velen vormt. Eens in de zoveel tijd schrijf ik over deze mensen, de werkelijk ongehoorden. Over mijn inlevingsvermogen zegt dat verder weinig; ik pleit net zo goed als anderen voor wie en wat me aan het hart gaat.

Begrip verkrijg je vaak slechts bij toeval. Bert Natter schreef in Zonderhond over de confrontaties tussen de ‘gewone’ buitenwereld en zijn dochter Lidewij en haar hulphond: ‘Ongegeneerd blijven ze staan kijken, alsof ze naar hun beeldscherm staren. Ze maken geen contact met dit voor hen buitenaardse duo. Als iemand dat wel doet, denk ik altijd: die kent zelf iemand met een beperking.’

Dat begrip maakt wel dat je op andere fronten tekortschiet. Het hoofd en het hart. Na het zien van Zoals het komt merkte ik dat ik niet meer terugkon naar het balorige geleuter van de praalhansmansjes van de VVD en het blijmoedige ritueel van vliegen afvangen en aantrekken en afstoten en puntjes scoren van deze dagen. Ik begreep het allemaal even niet meer. Een nauwelijks te verteren weerzin tegen het woord ‘box-3-discussie’ welde in me op.

Wie wil weten hoe het met een samenleving gaat, parafraseerde Veul in zijn opening een klassiek cliché, moet kijken hoe die samenleving met de allerzwaksten omgaat. Ik zou het net even anders formuleren: wie wil weten hoe het met een samenleving gaat, moet kijken of die samenleving luistert naar mensen die zich niet kunnen laten horen, hoe er wordt gekeken naar mensen die aan het zicht onttrokken zijn, en of er enig begrip aan de dag wordt gelegd voor mensen die zich niet zomaar laten begrijpen.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.

Source: Volkskrant

Previous

Next