Home

Met hun film over het Israëlische leger werden deze filmmakers een paria: ‘Het land kan ons niet laten vermoorden. Voor Palestijnen ligt dat anders’

In thuisland Israël zijn Yuval Abraham en Rachel Szor na hun docu No Other Land personae non gratae. Het houdt ze niet tegen opnieuw kritisch over de Palestijnse burgerdoden te vertellen, met Naza, dat in Venetië een staande ovatie van 25 minuten teweegbracht. De Volkskrant spreekt het duo.

is filmredacteur van de Volkskrant.

Ze kijken exact gelijk op van hun schermpjes, Yuval Abraham (31) en Rachel Szor (32). De meest besproken filmmakers van het moment. ‘We zitten de hele tijd op onze telefoon te kijken, of er al nieuws is over onze film’, zegt hij. ‘Het is oké, voor nu. Of nou ja, ik denk dat het oké is...’

Dan: ‘Uiteraard hebben wij het idee dat we niks verkeerd hebben gedaan.’

Jong ogen ze. En tegelijk ook niet: bleke, wat zorgelijke gezichten. Abrahams gympen zijn besmeurd met vegen modder; na een tropische week arriveerde de regen in Venetië. Precies op de dag van de wereldpremière van hun documentaire Naza, waarin een twintigtal Israëlische officieren en soldaten van de inlichtingendienst vertelt over het burgerdodenprotocol van het Israëlische leger bij raketaanvallen op Gaza. Door het surveillancenet voor mogelijke Hamas-betrokkenen zo wijd mogelijk te spannen, ook middels gebruik van artificiële intelligentie, kon op basis van het ‘Naza-protocol’ de ene na de andere woontoren worden platgegooid, waarbij op grote schaal burgers werden gedood.

De geïnterviewde militairen verschijnen onherkenbaar in beeld, terwijl ze vanaf een dak uitkijken over Tel Aviv.

De Volkskrant spreekt het tweetal in een witte villa aan de rand van het filmfestival van Venetië. Er lopen wat beveiligers rond. Het is de ochtend na de recordbrekende staande ovatie voor Naza: 25 minuten, geklokt door de Amerikaanse filmbladen in de zaal. ‘Meer dan twee keer zo lang als ze klapten voor Stalin in de Goelag-archipel!’, sneerde Elon Musk zojuist op X.

Israëlische identiteit

Weer wat later zal de Israëlische minister van Cultuur, Miki Zohar, de filmmakers van ‘verraad’ beschuldigen, ook op X. Hij dient een verzoek in om Abraham en Szor hun Israëlische nationaliteit te ontnemen, iets wat daadwerkelijk mogelijk is op basis van een onlangs aangepaste wet. Zohar voerde eerder al een hervorming door binnen de Israëlische filmsector: er mogen geen ‘kritische’ films meer worden gemaakt over het eigen land.

Abraham is bekend met de druk, al sinds hun met een Oscar bekroonde documentaire over de verdrijving van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, No Other Land. Toen de Volkskrant hem destijds sprak, in Amsterdam, hingen er rechtse knokploegen rond bij het huis van zijn ouders, op zoek naar de regisseur. ‘Daarna werd het wel weer rustiger’, zegt hij nu.

‘We worden beschermd door bepaalde wetten, voor nu althans. Het land kan me niet laten vermoorden, of me laten verdwijnen. Dat is het privilege dat wij hebben, als Joodse Israëliërs in wat voor ons nog een democratie is. Maar voor Palestijnen ligt dat uiteraard volledig anders. Waren wij twee Palestijnse filmmakers geweest, die probeerden te spreken met Israëlische officieren van de inlichtingendienst, dan zou ons lot hetzelfde zijn als dat van de tweehonderd door Israël vermoorde Palestijnse journalisten.’

Szor behoorde ook al tot het filmmakerscollectief achter No Other Land, maar anders dan Abraham en de Palestijnse activist Basel Adra, die ook te zien waren ín die documentaire, bleef zij meer op de achtergrond. Hoe is het voor haar om nu meer naar voren te treden?

‘Moeilijke vraag... Ik ben daar nog niet helemaal over uit. Het ligt niet in mijn natuur; mijn rol ligt meer bij de montage en de cinematografie. Nu schuif ik aan bij al deze interviews, we zullen zien hoe het gaat. Ik hecht niet zo aan statements. Uiteindelijk gaat het om de film, wat daarin te zien is.’

Jullie spraken met een ruime hoeveelheid officieren en soldaten van de Israëlische inlichtingendienst. Wat verbaasde jullie het meeste aan die gesprekken, ook op menselijk niveau?

Abraham: ‘Voor mij is dat toch het complete gebrek aan twijfel toen ze nog deel uitmaakten van het Israëlische leger. De meeste mensen die we spraken, werken inmiddels niet meer binnen dat systeem: ze hebben wat afstand genomen van het doden. Maar dit zijn Israëliërs uit het meer liberale deel van de bevolking, uit Tel Aviv, die deelnamen aan de massale moorden op Palestijnse burgers. En vaak wisten dat ze mensen bombardeerden in hun woningen, thuis bij hun families. Het is ook gedocumenteerd natuurlijk: de beelden van hele wijken die worden verwoest, kinderen die worden doodgeschoten. Hoe beleef je dat van bínnen dat systeem?

‘Ik ben niet bekend met ook maar één zaak van een Israëlische officier die weigerde een aanval uit te voeren. Het zegt veel, denk ik, over de totaliteit van het doden. Hoe het gruwelijke normaliseert, ook binnen een samenleving.’

Szor: ‘Als je zoals wij opgroeit in Israël, is je definitie van een terrorist iemand die een café binnenstapt om burgers te doden. Maar wat is dat Naza dan, waarbij een doel bewust in zijn of haar huis wordt aangevallen, tussen familie en andere burgers in het gebouw?’

Hun documentaire is gefilmd vanaf de daken van gebouwen in Tel Aviv. Je ziet de omgeving, de televisies in de woonkamers. Niet zomaar geblurde hoofden in beeld, maar interviews bovenop gebouwen, met sfeerbeelden van nachtelijk Tel Aviv, waar het leven doorgaat.

Waarom kozen jullie voor deze meer cinematografische vorm?

Abraham: ‘Er bestaat al heel veel direct beeld van het geweld in Gaza, vastgelegd door moedige Palestijnse journalisten. Via cinema is het mogelijk om waarheden op een andere wijze te onthullen. We zien de stad Tel Aviv, terwijl we de hele tijd horen over Gaza, slechts zestig kilometer verderop. Je hoort de getuigenis van een militair, maar je ziet iets anders. Cinema, of film, werkt anders op je in. Je gaat ervoor zitten, je neem de tijd en raakt ondergedompeld. En zo zijn het soms juist de stiltes die de geïnterviewden laten vallen, die veel indruk maken. Dat je iemand hoort zeggen: we bombardeerden ‘vijfhonderd Naza’. En je dan realiseert: o, dat zijn vijfhonderd burgers, vijfhonderd menselijke wezens.’

Szor: ‘We wisten natuurlijk dat de interviews geanonimiseerd zouden moeten worden. En we wilden toch een levendige achtergrond. Het dak is een goede plek voor een intieme conversatie. Je ziet vanaf die daken het militaire hoofdkwartier in het hart van de stad, vanwaaruit veel van de misdaden worden gepleegd. Het is ook iets ceremonieels in Israël: hoe je al die mensen elke dag om klokslag 8 uur ’s avonds het journaal ziet kijken. Waarop dan wordt gemeld dat er die dag iets van tweeduizend terroristische doelwitten zijn aangevallen in Gaza. En hoe die omschrijving verschilt van wat de soldaten er zelf over zeggen.’

Hoe is het nu met Basel Adra en Hamdan Ballal, de Palestijnen die meewerkten aan No Other Land?

Abraham: ‘Basel sprak ik een paar dagen geleden nog. Het wordt alleen maar moeilijker waar hij woont, op de Westelijke Jordaanoever. Net deze week zijn er weer twee dorpen verwoest onder de militaire bezetting. No Other Land was in zekere zin een soort verlengstuk van wat de Palestijnse gemeenschap daar zelf al doet: zich met gebruik van journalistieke middelen verzetten tegen de onderdrukking. De documentaire die we samen maakten, won de Oscar: waar kun je nog meer op hopen als je een film maakt? En toch gaan de etnische zuiveringen gewoon door.’

Hamdan Ballal kwam na de Oscarwinst nog in het nieuws, toen hij werd aangevallen door Israëlische soldaten en kolonisten. ‘Ze zoeken hem nog steeds, bij het huis van zijn moeder. Er zijn wel Palestijnse en Israëlische activisten bij Hamdan, die hem met hun aanwezigheid proberen te beschermen.’

Documentaires met getuigenissen van militairen worden meestal pas jaren, of zelfs decennia, na de oorlog gemaakt. Hoe verklaren jullie dat de militairen in Naza nu al wilden spreken?

Abraham: ‘Dat is een goede vraag. Het heeft deels te maken met een uniek aspect van de Israëlische samenleving: de verplichte militaire dienst. Heel veel Joodse Israëliërs gaan in het leger. Niet iedereen, maar wel bijna iedereen. En na de aanvallen van Hamas op 7 oktober, en het door die slachting veroorzaakte trauma, meldden veel Israëliërs zich bij de reserve-eenheden. Israëliërs zitten niet hun hele leven in het leger en kiezen er niet voor als carrière. Ze stappen erin en er weer uit.

En dan heb je Tel Aviv: het culturele en liberale centrum van het land is óók het militaire hoofdkwartier, midden in de stad. Een bron in onze documentaire vertelt hoe ze even buiten naar een lunchtentje gaan, nadat ze een raketaanval hebben ingepland. Die twee petten, het wisselen tussen burger en militair, verschaft onderzoeksjournalisten meer toegang.’

Tegelijk zijn er nog maar weinig onderzoekjournalisten over in Israël, zegt hij. ‘Er zijn er nog wat van de krant Haaretz, die geweldig werk doen. Verder is het vooral een journalistiek vacuüm. Misschien hoef je in dit Israël alleen de vraag te stellen, om een antwoord te krijgen. Dat is wat we deden.’

Naza, op het filmfestival van Venetië door de jury bekroond met een ‘speciale juryprijs’, is vanaf 1/10 te zien in de Nederlandse bioscoop.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next