Home

‘We offeren de vier doeleinden van het leven op aan economische groei’

‘Ik ken geen andere samenleving waarin economisch denken zozeer het primaat heeft gekregen.’ Econoom Paul Schenderling verbaast zich over het belang dat anderen toekennen aan de economie. Met Huxley, Keynes en Tinbergen als inspiratoren strijdt hij voor het idee van ‘nulgroei’.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Breek elk juk.’ Die woorden van de profeet Jesaja, die hij als 15-jarige las, raken hem nog altijd. ‘Ik ben onder de indruk van hun poëtische kracht, het roept bij mij het beeld op van schouders waarop een te zware last rust, van onvrijheid en van sociaal onrecht waar je voor anderen tegen in opstand moet komen. Het is het belangrijkste wat van ons wordt gevraagd: je naaste lief te hebben, dan heb je God lief. Liefde is doen, zoals ook religie voor mij niet om rituelen draait, maar om doen.’

De onvrijheid die de 38-jarige Paul Schenderling vooral dwarszit, gaat over ons denken – onze samenleving lijdt in zijn ogen onder ‘het primaat van de economie’. De econoom, cum laude afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, hekelt het reduceren van het leven tot deze ‘gouden dwangbuis’. Economische groei en materiële consumptie worden erdoor heilig verklaard – vooruitgang, zowel materieel als technologisch, wordt zo een absolute noodzaak. Dat smoort iedere discussie over alternatieven, ‘terwijl nog zoveel andere waarden in het leven belangrijk zijn’.

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

De ‘breedgedragen obstructie’ tegen andere zienswijzen die hij waarneemt, ondervindt Schenderling als voorman van de mede door hem opgerichte beweging Postgroei Nederland. Hij pleit voor ‘nulgroei’ of ‘postgroei’ – de enige manier voor de mensheid om ‘een ecologische catastrofe en daarmee zelfvernietiging af te wenden’, stelt hij. Zijn medestanders schat hij op ‘ten minste drie- à vierduizend, met onder hen veel professionals’.

Zijn omarming van de nulgroeigedachte, uiteengezet in zijn goedverkochte boek Er is leven na de groei uit 2022, leidt een jaar later tot zijn afscheid van consultancybureau Berenschot. Sindsdien praat hij zich de blaren op zijn tong tijdens lezingen, debatavonden en in podcasts, maar ook in bestuurskamers van bedrijven en overheidsinstanties. Steevast krijgt hij met dezelfde soort tegenwerpingen te maken, gecentreerd rond de noodzaak van vooruitgang.

De duurloper Schenderling laat zich niet ontmoedigen. Inspiratie vindt hij bij de Brit John Maynard Keynes. Die voerde een eeuw geleden een lange strijd tegen de consensus onder economen dat het antwoord op de depressie van de jaren twintig een zo klein mogelijke rol voor de staat behoorde te zijn. In de jaren dertig kreeg de Brit met het omgekeerde betoog het gelijk aan zijn zijde. Iets soortgelijks gaat zich met postgroei voordoen, verwacht Schenderling: ‘Wanneer weet ik uiteraard niet, maar de milieudegradatie zal zo omvangrijk worden dat het beleidsrecept van economische groei te ver van de realiteit af komt te staan.’

Schenderling groeide op in Alphen aan den Rijn, Varik en Rotterdam, in een gezin met twee theologen als ouders – zijn moeder is geestelijk verzorger in een verpleeghuis, zijn vader dominee. Principes over een betere wereld werden niet alleen met de mond beleden – het gezin at geen vlees en beschikte niet over een auto. ‘Van huis uit heb ik het belang van een rechtvaardige samenleving nadrukkelijk meegekregen.’

Als 15-jarige bedacht u dat u economie wilde studeren. Hoe kwam u daarop?

‘Ik las toen niet alleen die uitspraak van Jesaja, maar ook het Zwartboek Wereldmerken – en hun productiepraktijken. Dat maakte eveneens grote indruk op me, omdat eruit bleek hoe onrechtvaardig onze omgang met het mondiale Zuiden is. Ik zie dat nog altijd als het grootste sociale onrecht van onze tijd. Dat boek leerde me dat achter de mooie façades van wereldmerken productieketens schuilgaan die enorm leed bij werknemers in het Zuiden veroorzaken. Het verhaalt over vliegtuigjes van een westerse multinational die gif over bananenplantages sproeien, terwijl hun werknemers op de grond werken en daar in hutjes wonen. Dat gif komt dus direct op de huid van mensen, dat beeld liet me niet los.

‘Ik zag dat als een juk dat je met kennis van de economie zou kunnen breken. Dat je met economie iets positiefs kunt doen, leerde ik door Keynes. Zijn succesvolle strijd tegen de economische consensus van zijn tijd maakte me duidelijk dat je met economische kennis de wereld ten goede kunt veranderen. Dat heb ik me tijdens mijn studie voor ogen gehouden.’

U werd omringd door medestudenten die niet uit waren op sociale rechtvaardigheid, maar op geld verdienen.

‘Inderdaad, al heb ik wel een of twee geestverwanten gevonden met wie ik mijn kritiek op het gangbare economisch denken kon delen. Ik heb die studie gedaan met een strategische gedachte: ik wilde bij de beste economieopleiding van Nederland alle gereedschappen uit de gereedschapskist leren om die daarna te kunnen toepassen, maar dan vanuit een andere visie op de economie. Een inspirator voor mij was Jan Tinbergen (1903-1994, Nederlandse Nobelprijswinnaar voor de Economie in 1969, red.), die ongelooflijk veel op de kaart heeft gezet voor het milieu, de arbeidersbeweging en het mondiale Zuiden.’

In uw laatste werk put u vooral inspiratie uit boeken van Aldous Huxley (1894-1963), bekend als schrijver van de dystopie Brave New World. Waarom is hij relevant voor onze tijd?

‘Anderhalf jaar geleden las ik een onbekend en sterk ondergewaardeerd boek van hem, Ends and Means (uit 1937, waarin Huxley het wezen van idealen onderzoekt, red.). Hij betoogt dat alle grote fouten in de geschiedenis voortkomen uit het verheffen van een middel tot een doel waaraan vervolgens een absoluut belang wordt toegekend. Zo’n middel wordt dan geplaatst boven de vier eigenlijke doeleinden van het leven, die Huxley destilleerde uit een beschouwing van alle grote religies: vrijheid, rechtvaardigheid, vrede en naastenliefde.

‘In zijn tijd was het militarisme, de noodzaak van militaire concurrentie met andere landen, het middel dat tot doel werd verheven. In deze tijd draait alles om economische en technologische vooruitgang. Zodra je daar iets op af probeert te dingen, krijg je onmiddellijk te horen: vergeet je doelen van het leven maar, we mogen deze vormen van vooruitgang op geen enkele manier in de weg zitten. Over die kortzichtigheid voel ik grote verontwaardiging.’

Waarom raakt u dat zo?

‘We moeten toch concurrerend blijven’ of ‘we moeten de overheidsfinanciën gezond houden’ zijn op zich onschuldig klinkende tegenwerpingen. Maar er gaat een ernstige misvatting achter schuil, namelijk dat je de doeleinden van het leven kunt opschorten met een beroep op economisch denken. Huxley heeft mij ervan overtuigd dat het dan gruwelijk mis kan gaan. Dat staat nu te gebeuren door economische groei te blijven najagen, ook al koersen we af op klimaatontwrichting en massale uitsterving van diersoorten. We offeren de doeleinden van het leven op aan economische groei. Ik heb steeds minder schroom te zeggen dat ik de krachten die ons die kant opdrijven, beschouw als een sociaal kwaad.’

Kunt u met een concreet voorbeeld duidelijk maken hoe die doeleinden van het leven in het gedrang komen?

‘Neem arbeid. Dat is in het economisch denken gereduceerd tot het genereren van productie om vervolgens te kunnen consumeren. Met die benadering verdwijnt het meest essentiële aspect van arbeid, namelijk de beroepseer of beroepstrots, de vreugde die arbeid kan geven. Terwijl die essentieel is om het vol te houden en met voldoening op je werk terug te kunnen kijken – de essentie van arbeid is zingeving. Maar die is in dit denken ondergeschikt gemaakt aan het primaat van de economie, aan het streven naar meer efficiëntie en enkele procenten productiviteitsgroei.

‘Tekenend is hoe we tegenwoordig algoritmen inzetten om werknemers ermee aan te sturen. Door alle steden rijden mensen met rugzakken die door een algoritme worden opgepiept. Ze krijgen een route voorgeschreven, ontvangen een rating met sterretjes, waarvan hun beloning afhangt. Is die rating te laag, dan zegt het algoritme dat je geen klussen meer krijgt, dan ben je ontslagen. Dat is een juk dat mensen door bedrijven krijgen opgelegd, het toont bij uitstek het primaat van de economie.’

Gaat dat niet om een vrij kleine groep werknemers?

‘Jawel, maar je kunt het op veel meer terreinen zien. In de politiek kunnen regeringen alleen maar kiezen uit beleidsopties die door het bedrijfsleven zijn voorgeschreven. Wijkt een regering ervan af dan wordt dat land in deze tijd van hyperglobalisering bedreigd met verplaatsing van productie naar het buitenland. Zo wordt de politiek door de economie overgenomen.

‘Ook in onze cultuur zie je economische overwegingen ons denken domineren. De kortste samenvatting is de leus: Work hard, play hard. Die is door veel mensen als levensmotto omarmd – hard werken om je daarna helemaal uit te leven. Dat is allebei in het belang van het kapitaal. Bij het harde werken draait het om meer productie, meer status, hogerop komen. Terwijl mijn betoog zou zijn: belangrijker dan wat een baas verlangt zou moeten zijn wat je zelf vanuit je hart en je gevoel wilt doen. Je individuele ontplooiing en verlangens zouden zwaarder moeten wegen dan de wensen van iemand met een financieel belang bij je arbeidsprestaties.

‘Vervolgens word je in je vrije tijd geacht ‘hard te spelen’ door aan de beleveniseconomie mee te doen. Door spullen te kopen, te bingewatchen of een vakantie te boeken. Alsof het leven draait om pakketjes geluksbeleving waar je zoveel mogelijk van moet krijgen. Dat leidt niet alleen tot een hypernerveuze samenleving, maar mensen doen zichzelf zo ook ongelofelijk tekort. Werkelijke, diepe en bestendige vreugde is niet in een pakketje te vangen, maar komt voort uit aandacht voor andere waarden, zoals vrijheid, verbinding met anderen en rust. Dat staat mijlenver af van de work hard, play hard-leus.’

Is onze tijd met zijn primaat van de economie historisch bezien uitzonderlijk?

‘Ja. Ik ken geen andere samenleving waarin dat zo is geweest. Niet eerder was economisch denken zozeer de dominante overweging waarmee de grootste dilemma’s in het maatschappelijk leven worden beslecht. In Europa was er lang de dominantie van godsdienst. In het oude Griekenland draaide het om de deugdzame burger, in China om het belang van de staat. Maar economisch denken bovenaan plaatsen zoals vanaf de jaren zestig is gebeurd, is niet eerder voorgekomen.’

Waar put u hoop uit?

‘Ik ben pas 38 en hoop nog zeker 25 jaar het gedachtegoed van postgroei te kunnen verbinden met mensen die bij gevestigde instituties werken om zo concrete veranderingen tot stand te brengen. Ik ben daarom binnen Postgroei Nederland begonnen met de Club van Postgroei. Die telt nu 140 leden die binnen hun bedrijf of overheidsinstantie changemakers willen zijn. Hopelijk verdriedubbelt die club in de komende jaren.

‘Verder hoop ik dat de vier doeleinden van het leven in ons denken belangrijker worden. Huxley zegt daarover dat dictators en andere autocraten hebben geprobeerd ze te onderdrukken, maar dat visionairs en toegewijde minderheden ze telkens weer weten te revitaliseren. Dat lukt, omdat ze resoneren met wie we als mensen ten diepste zijn. Ik vertrouw op hun terugkeer.’

Boektip: Where Do We Go From Here? van Martin Luther King

‘King moest in 1967, toen hij grote weerstanden ondervond, diep in zichzelf graven naar de kern van het sociale kwaad en het hart van zijn idealen. In dit boek schetst hij een radicale actieagenda, geënt op het democratisch socialisme. Het kostte hem zijn leven, maar deze visie inspireert nog altijd.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next