Een autismecoach hielp Erik Jan Harmens om het leven iets beheersbaarder te maken. Vlak voor de publicatie van zijn nieuwe boek zoekt ze hem opnieuw op. Thomas Heerma van Voss keek in zijn kielzog met hem mee. ‘Ik moet muur in mijn rug hebben. Anders voel ik steeds ogen in mijn rug en kan ik niets doen.’
Zijn voormalig autismecoach heeft vertraging. Schrijver Erik Jan Harmens deelt dit mee terwijl hij voor de zoveelste keer zijn opgeruimde woonkamer doorloopt, van de open keuken naar de eettafel. Er staat al een karaf water klaar, daarnaast een toren van glazen en theekoppen, en speciaal vanwege Mimi’s komst heeft hij gevulde koeken ingeslagen. Nee, nerveus is hij niet, op deze grijze woensdagochtend. Maar ze hebben elkaar een jaar geleden voor het laatst gezien, terwijl ze elkaar daarvoor zeer geregeld troffen.
Wat zijn autismecoach tijdens die ontmoetingen deed? Ze hielp Erik Jan Harmens (1970, Harderwijk) om het leven iets beheersbaarder te maken. Niet met grote woorden of diepte-analyses, maar met een praktische aanpak. Ze bespraken zijn dagen een voor een. Samen probeerden ze de vraag te beantwoorden waar Harmens al zolang hij zich kan herinneren moeite mee heeft: wat hij zoal voelt. Anders gezegd: hoe dat nou precies moet, leven.
Je zou kunnen zeggen dat Harmens’ schrijven hier ook om draait. Sinds hij in 2003 debuteerde, publiceerde hij in hoog tempo een oeuvre dat vooral bestaat uit poëzie en autobiografische fictie – zoals de roman Hallo muur (2015), een bestseller over zijn hardnekkige alcoholverslaving. Boek na boek probeert Harmens in toegankelijke, soms staccato taal te ontcijferen wat hij (of zijn hoofdpersoon) nou eigenlijk ergens van vindt, hoe iets in elkaar zit, hoe het is om ergens deel van uit te maken. Of om er juist buiten te vallen.
De deurbel gaat. Harmens spurt de twee trappen van zijn huis in Amsterdam-Oost af. Daar verschijnt Mimi – een goedlachse vrouw van begin veertig, roze hemd, kleurrijke broek, witgroene Nike-sneakers. Ze is ervan op de hoogte dat ik enkele dagen in Harmens’ buurt verblijf vanwege dit artikel. Van tevoren stuurde de schrijver me zijn agenda toe. Ik mag aanschuiven waar ik maar wil, ook juist bij alledaagse momenten, aangezien zijn nieuwe boek Iets wat beklijft daar voor een belangrijk deel over gaat.
‘Zo, da’s lang geleden, hoe gaat-ie?’ Tot vorige zomer stelde Mimi hem die vraag wekelijks; vier jaar in totaal. Maar toen ging ze met zwangerschapsverlof, waarna er een reorganisatie plaatsvond bij haar zorginstelling, gevolgd door bezuinigingen bij de ggz. Mimi raakte geërgerd over de gang van zaken en besloot om een andere baan te zoeken. ‘Het was laptop en telefoon inleveren en de mazzel’, zegt ze zittend aan tafel. Alles in haar handelen maakt duidelijk dat ze vertrouwd is met dit huis, met Harmens.
Er was beloofd dat haar cliënten nazorg zouden krijgen, maar zoals verwacht gebeurde dat niet. ‘Heel irritant, die traagheid’, zegt Harmens. ‘Zeker voor autisten, want die hebben natuurlijk behoefte aan vastigheden en aan voorspelbaarheid. Toen ik me jaren geleden aanmeldde voor diagnostisch onderzoek, wat een enorme stap was waar ik lang tegenaan heb gehikt, moest ik negen maanden wachten tot er ook maar iets gebeurde.’
Het afgelopen jaar heeft Harmens slechts één nieuwe autismecoach gezien, maar dat was ‘geen match’. Mede daarom komt Mimi zelf maar langs: dit gesprek is een combinatie van een definitief afscheid en een laatste controle; zelf spreekt ze van een ‘check-in’. ‘In de media en films zie je maar één type autist, maar zoals je weet uit autisme zich op allerlei manieren’, zegt ze.
Dit beschrijft Harmens gedetailleerd in Het grote autismeboek (2024), een persoonlijk non-fictiewerk van ruim vijfhonderd pagina's. Gisteravond at hij met zijn manager en voormalig uitgever Oscar van Gelderen om het over hun driedaagse autismefestival te hebben, dat in juni 2027 zal plaatsvinden en grotendeels voor en door autisten is, met gespreksonderwerpen als ‘autisme en werk’ en ‘autisme en seksualiteit’.
‘Wat goed’, zegt Mimi, die de term ‘snoezelzorg’ noemt: een goedbetaalde medische tak waarin sekswerkers actief zijn, getraind voor mensen met een verstandelijke beperking of met verregaande moeite met intimiteit. ‘Voor sommige autisten biedt bdsm uitkomst, want daarbij zijn er heel duidelijke regels.’
Harmens knikt. Heel belangrijk, maar met zijn werk wil hij nu weer wat van het autisme af, zegt hij snel. ‘Ik ben niet alleen autist. Ik ben ook nog schrijver.’
Ook hierover sprak hij met manager Van Gelderen: zijn nieuwe boek Iets wat beklijft. Het is een compact werk dat draait om de overprikkeling van de moderne tijd, om de alledaagse overvloed die zich via schermen opdringt, om de vraag wat van waarde er te midden van dat alles overblijft en om de hunkering naar dat waardevolle. Hoe voelt het leven wanneer je elke situatie intens ervaart en dingen moeilijk van je kunt laten afglijden?
Iets wat beklijft is een verzameling van poëzie en losse, soms dagboekachtige overpeinzingen. Harmens beschrijft uitpuilende treinwagons gevuld met eindeloos scrollende reizigers, de vervreemding wanneer computers je vragen of je echt een mens bent, het afgestompte gemak waarmee velen langs elkaar leven terwijl hem dat zelf niet lukt.
‘Ik span me in om dingen in me op te nemen’, staat halverwege Iets wat beklijft, op een verder vrijwel witte pagina. ‘Kijk op mijn horloge, probeer in het nu te leven.’ Elders noteert Harmens dat hij als kind al veel dagdroomde, en dat anderen daar telkens doorheen probeerden te breken: ‘Woehoe, is daar iemand?’ ‘Nooit wist ik wat ik dan moest antwoorden.’
‘Knap, alweer een nieuw boek’, zegt Mimi. Ze wil weten of het verder goed met hem gaat. Haar stem houdt het midden tussen bezorgd en geroutineerd.
Jawel, jawel, benadrukt hij. Hij komt overeind en begint nieuwe thee te zetten. ‘Mijn huis schoonmaken lukt tegenwoordig wel. De administratie doen ook. En mijn biografie van Menno Wigman heb ik bijna afgerond. Dit nieuwe boek schreef ik een beetje tussendoor.’
‘Mooi. Je kunt je afvragen of je nog een autismecoach nodig hebt.’
Harmens, terug aan tafel: ‘Ja...’
‘Heb je het gemist de afgelopen tijd?’
‘Ik heb jou gemist’, zegt Harmens. ‘Onze band.’ Er valt een stilte. ‘En soms mis ik hulp. Weet ik nog altijd niet wat ik ergens van vind. Heb ik last van andere mensen, van drukte.’ Hij typeert zichzelf als een diep reactief wezen, niet actief. ‘En ik sta altijd aan, dat blijft een ding. Ik werk te veel. Anderzijds denk ik ook: werk, werk, ik zit gewoon achter een scherm, ik ben niet aan het stratenmaken ofzo.’
‘Maar het is allemaal geen ontspanning bij jou. Ideaal gezien zou er steeds een coach bij je in de buurt zijn, iemand die af en toe zegt: nu weg van je scherm, Erik Jan. Nu leven.’
Een jaar geleden, toen ze hem nog begeleidde, hebben ze een ‘experiment’ afgesproken: tussen het werken door zou hij af en toe naar de bioscoop gaan. Om zijn zinnen te verzetten. Het is, zo bekent hij nu, geen enkele keer gelukt. ‘Ik snap het concept rust nog altijd niet. Vakantie evenmin.’ Daarna, niet zonder trots: ‘Wel zit ik iets minder achter mijn scherm dan toen ik je leerde kennen.’ Toch werkt hij nog altijd zeven dagen per week, tien uur per dag.
‘Hoe gaat het met je relatie?’, vraagt Mimi.
‘Goed, alleen leven we wat langs elkaar heen.’ Zes jaar is Harmens – die een zoon en een dochter heeft uit een eerdere relatie – nu samen met zijn vriendin, een fotografe die regelmatig voor de Volkskrant werkt en die tevens de foto’s voor dit stuk maakte. Ze leerden elkaar kennen tijdens corona. ‘Heerlijk, het overzicht van die tijd, we konden alleen maar samen wandelen, verder niets.’ Zijn vriendin heeft, aldus Harmens, ‘een beetje hetzelfde probleem’ als hij, ‘die is non-stop aan het werk’. Verwonderd: ‘We zijn al ruim een jaar van plan een nieuw bed te kopen en dat lukt maar niet.’ Zo kun je Iets wat beklijft ook lezen: als een openhartige inzage in het hoofd van iemand die voortdurend tobt en voelt, en er ondertussen niet in slaagt om dingen te doen waar de meesten hun schouders bij ophalen.
‘Terwijl het me serieus leuk lijkt, hè’, gaat Harmens verder. ‘Niet de andere mensen in zo’n beddenwinkel natuurlijk, maar dat je dan samen gaat proefliggen, op het ene matras na het andere. Maar nee, het zit er niet in, en dat moet wel veranderen.’
‘Welke hulpvraag hoort hierbij? Welke vraag wil je een volgende coach stellen?’
Hij denkt na en neemt een grote slok. De gevulde koeken zijn inmiddels op. ‘Dat weet ik niet.’ Voor het eerst klinkt er iets van ontreddering in zijn stem door. Binnenkort begint Mimi aan haar nieuwe baan: ze wordt praktijkonderzoeker van de huisarts. Ze geeft aan dat ze het ook wel prettig vindt om na vijf uur ’s middags niet meer met werk bezig te hoeven zijn. Harmens: ‘Ik blijf moeite houden met het accepteren van mijn autisme en het plannen van praktische dingen. Een douchekop vervangen vind ik nog steeds een onmogelijkheid, want dan moet je naar een winkel met allemaal prikkels en ongemotiveerde medewerkers en dertig soorten douchekoppen. Daar blijf ik hulp bij nodig hebben, zonder dat de hulpverlener me het idee geeft dat ik gek ben. Want ik ben niet gek.’
Even later verzucht hij tegen Mimi: ‘Wij kennen elkaar zo lang. Ik weet niet of ik nog een band met iemand kan opbouwen. Schrijven, dat kan ik. Maar verder? Leven, kan ik dat? En je had het over bezuinigingen. Waar kunnen al die autistische jongeren dan terecht? Nergens? Ik moet er niet aan denken dat ik nooit hulp had gekregen. Wat was er dan van me terechtgekomen?’
Hij bedankt haar, niet alleen voor vandaag, maar ook voor de afgelopen jaren. Ze omhelzen elkaar.
Nadat Mimi is vertrokken, kijkt Harmens even wat ontheemd rond. Dan volg ik hem zijn huis door. Weinig kunst aan de muren, weinig rondslingerende spullen. Ook zijn werkkamer is overzichtelijk. Drie gitaren, het verzamelde werk van Marcel Proust, een stapel dichtbundels. Het enige raampje biedt uitzicht op een lege binnenplaats. ‘Gelukkig geen uitzicht, dat zou me alleen maar afleiden.’ De middag ligt nog voor hem, hij gaat doen wat hij altijd doet, waar hij zich wel helemaal thuis voelt: achter zijn scherm zitten, schrijven.
De volgende ochtend stapt Harmens om zeven uur ’s ochtends zijn huis uit. Hij neemt de bus naar het Amstelstation in Amsterdam en vanaf daar de trein naar Utrecht Centraal. Dit doet hij tweemaal per week, altijd op exact dezelfde tijden. In Utrecht is Helder en Duidelijk gevestigd, het communicatiebureau waarvoor hij al jaren werkt. Dat doet hij naar eigen zeggen niet alleen omdat de literatuur financieel weinig rendabel is, ook voor enige variatie in zijn dagen.
Maar de tocht met het openbaar vervoer, tweemaal per dag tijdens de spits, valt hem steevast zwaar. Niet voor niets staat reizen in Iets wat beklijft veelvuldig centraal. ‘Op maandagochtend in een volle trein tussen alle andere kantoortijgers met je oortjes in op je telefoon naar een video van een stervend kind kijken’, noteert Harmens in het boek. Elders: ‘Dat je een willekeurig iemand op straat kunt neerslaan, in een onbewaakt ogenblik. Hoe dun de lijn soms wordt tussen inhouden en uithalen.’
Staand op het volle perron, vlak voor de ochtendtrein aankomt, wiebelt hij onrustig heen en weer. Rondom hem barst de dagelijkse choreografie los, iedereen is zich stilletjes aan het positioneren om straks snel de trein in te kunnen glippen. ‘Ik vind het zo vreemd dat dit is hoe wij mensen leven’, zegt Harmens peinzend. ‘Niemand kijkt elkaar aan. Want dat hoort niet. Straks zit iedereen afgezonderd in een overvolle koker. Als iemand dan luid gaat bellen en de meest persoonlijke dingen deelt, houd ik het niet meer. Als iemand kwark eet, heb ik de neiging die direct in zijn of haar gezicht te duwen.’
Even later: ‘En niemand denkt hier verder over na want dan word je gek. Maar ik kan er dus niet níét over nadenken. En ik kan er maar niet aan wennen, terwijl iedereen verder doet alsof het normaal is. Ik voel me daarin ook alsof ik van een andere planeet kom. Daarom schrijf ik natuurlijk ook. Om iets met die gevoelens te doen. Zo ontstond dit nieuwe boek.’
De adviezen van Mimi hebben hem in de loop der jaren geholpen om zulke reizen – breder: om zulke momenten van gedwongen overgave aan anderen – beter te dragen. Toch kost het hem zichtbaar moeite om op te gaan in deze dagelijkse drukte. Hij vindt een lege stoel in een vierzitter. Noodgedwongen ga ik verderop zitten. Om Harmens heen is men druk aan het scrollen, twee toeristen praten luid, een blonde vrouw verdiept zich in een non-fictieboek. Hij zoekt oogcontact, maar vindt het met niemand.
Onrustig trekt hij een dichtbundel uit zijn tas en bladert wat, daarna nog een boek, hij scrolt door zijn telefoon en opent de app van Voetbal International. Ten slotte gaat de noisecancelling-koptelefoon op.
Hij appt me: ‘Als ik mijn ogen dichtdoe en mijn koptelefoon opzet, lukt zo’n reis enigszins. Maar ik blijf individuen zien. Ik kan ze niet tot een blur maken. Ik ben ook gewoon heel erg geïnteresseerd in ze, wat ze bezighoudt, of ze gelukkig zijn... maar dat doet er natuurlijk helemaal niet toe in de spits. Dat moet ik elke dag tegen mezelf blijven zeggen.’
Op Utrecht Centraal wurmt hij zich door de mensenmassa, een volgestouwde tram brengt hem naar station Vaartsche Rijn. Daar zwiept hij zijn schoudertas om en loopt alert tussen de ochtendspits door, vol auto’s en fietsers. Communicatiebureau Helder en Duidelijk is gevestigd in een voormalig technische school die vlak voor de Eerste Wereldoorlog werd gebouwd. Eenmaal binnen is Harmens duidelijk opgelucht, eindelijk weer op zichzelf. Zoals gebruikelijk is hij als eerste aanwezig. Zijn bureau staat op de tweede etage, in de hoek van een ruimte die hij deelt met drie collega’s. ‘Ik moet muur in mijn rug hebben. Anders voel ik steeds ogen in mijn rug en kan ik niets doen.’
Vandaag moet hij zich, zoals zo vaak, bezighouden met communicatieadvies aan de overheid. Hij gaat onder andere een abstracte tekst – over de ‘missie’ en ‘visie’ van een internationaal adviesbureau – herschrijven tot een toegankelijkere variant, en daarnaast is hij verantwoordelijk voor het bedenken van een aanlokkelijke nieuwsbrief, ‘eentje die in tegenstelling tot alle andere nieuwsbrieven wél gelezen wordt’. Even later: ‘Dit zijn allemaal heldere taken, heel fijn.’ Hij klapt zijn laptop direct open; hij is al druk aan het werk voor de eerste collega arriveert. Zolang hij zich kan richten op de taal, de woorden, weet hij wat hem te doen staat.
Aan het einde van de middag zit Harmens in een drukke trein terug naar huis. Koptelefoon op, zo veel mogelijk flarden proberen te negeren. Het was een goede dag, laat hij weten. Wel heeft hij vandaag en morgen borrels van de uitgeverijen waar zijn boeken verschijnen, en uit strategisch oogpunt dwingt hij zichzelf toch maar om daarheen te gaan. Volgende week is er een presentatie van Iets wat beklijft. Hij ziet nu al uit naar het afgezonderde bijkomen van dit alles.
Daarnaast is er ook goed nieuws. Een paar dagen nadat ik hem voor het laatst heb gezien, heeft hij via de ggz een nieuwe autismecoach ontmoet, Nick. ‘Echt een heel enthousiaste en positieve jongen’, aldus Harmens. ‘Hij heeft maar één nadeel en dat is: hij is niet Mimi. Maar met hem wil ik verder.’
Omdat Nick heel sportief is, gaat Erik Jan Harmens met hem hardlopen terwijl ze het hebben over zijn dagen, over die terugkerende vraag wat hij nou eigenlijk voelt en over de praktische dingen die moeten gebeuren, in huis en daarbuiten. En binnenkort gaat hij echt, zo benadrukt hij, zijn douchekop vervangen en een nieuw bed kopen. ‘Want wat we nu hebben is allemaal heel oud, kan écht niet meer.’ En verder? Schrijven natuurlijk. Proberen zich voluit op dingen te blijven richten. Zoals hij zelf stelt in Iets wat beklijft:
‘Alles glijdt als douchewater langs me heen.
Terwijl ik wil dat het tot me doordringt.
Terwijl ik wil dat het tot me doordringt.
Terwijl ik wil dat het tot me doordringt.
Terwijl ik wil dat het tot me doordringt.
Dus: dring tot me door. Dring tot me door.
Dring tot me door. Dring tot me door.’
Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant