Home

We worden steeds mooier maar voelen ons steeds lelijker: hoe komt dat?

Het schoonheidsregime wordt dwingender. Socioloog Giselinde Kuipers onderzoekt dat regime al zestien jaar, maar verloor haar wetenschappelijke distantie toen haar uiterlijk door kanker snel achteruitging. Hoe komt het toch dat we van ons lichaam vervreemd raken, terwijl we er steeds meer aan werken?

Utrecht, de laatste zaterdag van de zomervakantie. Overal in de stad lopen mensen met tassen van kledingwinkels. Veel tieners, vaak met een ouder (meestal een moeder), en groepen tienermeisjes met grote tassen van Bershka en Stradivarius. In veel winkels staan lange rijen voor de paskamers.

‘Waar kijk je naar als je naar jezelf kijkt in de spiegel?’, vraag ik aan mensen die ik zie passen. De eerste die ik aanspreek is Nele, een tiener met een opvallend blauw sieraad in haar navel, die met haar vader broeken past bij Urban Outfitters. Ze gebaart met twee handen naar de plek waar haar taille overgaat in haar heupen. ‘Ik let vooral hierop. Ik houd van broeken met een lage taille en dan moet dit goed uitkomen.’ Dit gebaar zie ik vaker vandaag: de meeste tienermeiden dragen lage broeken en korte truitjes, en dat stelt eisen aan dit stukje lichaam. Zoë, in de Mango, past ook zo’n broek en wijst op haar buik: ‘Dat die er niet overheen hangt.’

Bijna iedereen die ik aanspreek begint meteen over een specifiek lichaamsdeel. Sharon, in de &Other Stories, pakt de voorkant van de blouse die ze past en wijst met haar kin naar beneden: ‘Ik heb hier niet zoveel.’ Brigitte, een vijftiger, kijkt naar de rimpels in haar nek en decolleté. ‘Ik kijk niet zo graag naar mezelf in de spiegel’, zegt ze als ik haar aanspreek in de Zara, ‘maar dit gaat wel.’

Charlotte, in de Guts & Gusto: ‘Ik kijk altijd eerst naar mijn kont, dat die niet te veel uitsteekt.’ ‘Ik let erop dat deze lijn een beetje goed valt’, zegt Kauthar, met alweer zo’n gebaar, langs haar heup en bil. In The Sting spreek ik Elizabeth, die winkelt met haar moeder. ‘Ik heb een klein kontje en grote borsten’, zegt ze, ‘dus ik moet oppassen dat het allemaal klopt.’ Ze maakt zich zorgen dat ze met de trui die ze past ‘te veel opvalt’.

Mannenlichamen zijn niet publiek

Mannen zijn lastiger aan te spreken. Ze lopen vaak met een doelgerichte blik op het pashokje af, trekken het gordijn achter zich dicht, en lopen na afloop, met net zo’n doelgerichte blik, naar de kassa of het rek. Mannenlichamen zijn niet publiek.

Na even zoeken lukt het. Tobias, in de J.Crew, wijst op zijn bovenlichaam: ‘Ik wil dus hier wat meer’ en, wijzend op zijn benen: ‘Hier wat minder.’ Zijn bovenbenen zijn wat breed, zegt hij, dat mag niet opvallen. Lasse, die winkelt met zijn moeder, gebaart van zijn middel omlaag: ‘Dat ik niet te dun lijk.’ Lars, in de Jack & Jones, zoekt een trui die past bij zijn huidskleur: ‘Ik ben best bleek, en daarom zoek ik naar de goede kleur. Zoals dit, lichtblauw.’ Zijn vriendin corrigeert hem: ‘Hij is lichtgroen.’

Niemand is tevreden

Losse lichaamsdelen. Dat is wat mensen zien als ze naar zichzelf kijken in de spiegel. Niemand ziet het geheel: iedereen kijkt naar een bil, een taille, een bovenbeen, een buik, een arm, een nek. En niemand is tevreden. Maar één persoon zegt volmondig ja als ik vraag of hij tevreden is. Waïl, in de Zara Man, wacht op twee vrienden in het pashokje. ‘Ik kijk eigenlijk bij elke spiegel die ik zie even of mijn haar goed zit.’ ‘En, tevreden?’, vraag ik. ‘Ja eigenlijk wel’, zegt hij, en lacht hard.

Praktisch alle vrouwen, ongeacht leeftijd, maar ook de meeste mannen die zijn opgegroeid in dit millennium, kunnen naar hun uiterlijk kijken als een esthetisch object en als esthetisch project: een ding dat gevormd, verbeterd en mooi gemaakt kan – en moet – worden.

Lange tijd gold werken aan je uiterlijk als verdacht: ijdelheid heette het vroeger, en dat was zondig. Tot honderdvijftig jaar terug hadden maar weinig mensen de tijd en de middelen om aan hun uiterlijk te werken. De meesten hadden maar drie sets kleding: ‘Een voor de bast, een voor de was, een in de kast.’ Mensen wisten meestal niet precies hoe ze eruitzagen. Pas met de komst van het industrieel kapitalisme kreeg iedereen een spiegel in huis.

Met de uitvinding van de fotografie zagen mensen beelden van zichzelf, toen ontstond ook de beeldcultuur: mensen zagen dagelijks wel honderden beelden van, vaak mooie, mensen. Zo leerden mensen met een kennersoog kijken naar hun eigen uiterlijk, en dat van anderen. Dit heeft geleid tot een wereld met meer schoonheid – maar niet per se tot een mooiere wereld.

Er is veel lelijks aan het hedendaagse schoonheidsregime. Mensen zien er tegenwoordig beter uit dan honderd jaar geleden: schoner, met betere tanden, een betere huid, beter haar en mooiere, nieuwere en schonere kleding. Maar dit steeds mooiere uiterlijk is steeds meer verbonden met sociale, economische en eigenwaarde. Mooi zijn moet: eerst alleen voor vrouwen, maar nu ook voor mannen; eerst alleen voor jongeren, maar nu voor alle leeftijden; eerst alleen voor feesten en hoogtijdagen, nu ook voor je werk, in je privéleven, en op vakantie.

Kritisch

Doordat we steeds kritischer kijken, en steeds harder (moeten) werken om er goed uit te zien, raken we vervreemd van ons lichaam. We kijken in de spiegel (en dat doen we best vaak), of naar een foto van onszelf, en zien een ding dat opgedeeld kan worden in losse onderdelen, die meestal beter kunnen. Hier wordt je lichaam ‘vreemd’ voor je: niet het fysieke omhulsel dat bij je hoort en waarin je je thuis kunt voelen, maar een weerbarstig, onvolmaakt object dat altijd ‘werk’ nodig heeft.

Sinds 2010 doe ik als cultuursocioloog onderzoek naar schoonheid: wat vinden mensen mooi aan (andere) mensen, en wat voor sociale gevolgen hebben zulke oordelen over schoonheid? Terwijl ik mij verdiepte in onze schoonheidsidealen, zag ik het schoonheidsregime uitdijen. Vlak nadat ik met mijn onderzoek begon, opende de smartphone een directe lijn met de beeldcultuur. De gestileerde schoonheid van reclames, modebladen, videoclips en pornografie vermengde zich met beelden van onszelf, onze vrienden, familie, huisdieren en vage bekenden in een eindeloze stroom geflatteerde afbeeldingen. Tegenwoordig heeft iedereen een online dubbelganger, zorgvuldig ‘gecureerd’ en ietsje (of veel) mooier en jonger dan de offlineversie.

Ook in de echte wereld dijde het schoonheidsregime uit. Cosmetische ingrepen werden steeds gewoner. De fitnesscultuur maakte een zichtbare opmars. Slank zijn (voor veel mensen al een bijna onbereikbaar ideaal) is niet meer genoeg. Mensen van alle leeftijden hebben steeds vaker een lichaam dat niet alleen dun is maar ook strak, fit, gespierd en zongebruind – een lichaam waar zichtbaar werk in zit.

De lelijke ziekte

Met het uitdijende schoonheidsregime nam de bezorgdheid over de groeiende schoonheidsdwang toe. Waar in 2010 nog schamper werd gereageerd dat ik onderzoek wilde doen naar zoiets triviaals (toen ik een grote EU-beurs kreeg verscheen zelfs een boze ingezonden brief), kostte het me tien jaar later weinig moeite mensen te overtuigen van het belang van schoonheid als onderzoeksobject. Mijn eerste onderzoek had nog een neutrale titel: ‘Naar een comparatieve sociologie van de schoonheid’. De studie die ik dertien jaar later startte, heette ‘Schoonheid en ongelijkheid’, en ging over de vraag hoe het doordraaiende schoonheidsideaal wereldwijd bijdroeg aan groeiende sociale ongelijkheden. Naarmate het schoonheidsregime dwingender werd, lukt het me steeds minder goed om mijn afstandelijke, wetenschappelijke blik te bewaren.

Ik was net begonnen aan een academisch manifest tegen het schoonheidsregime toen ik hoorde dat ik borstkanker had. Kanker, herlas ik in Susan Sontags Illness As Metaphor, een woedende aanklacht tegen de manier waarop zieken verantwoordelijk worden gemaakt voor hun kwaal, is de lelijke ziekte. En inderdaad: door de chemotherapie werd ik vlekkerig en grauw. Ik verloor mijn haar en wenkbrauwen. Mijn smaakvol geblondeerde haar lag in grote plukken in de wasbak. Mijn ogen zonder wimpers waren bloeddoorlopen en traanden, eromheen blauwzwarte kringen. Na vijf maanden chemotherapie zag ik eruit als een axolotl: net als deze ondergronds levende salamandersoort had ik roze omrande ogen, een bleke huid; mijn laatste plukken spriethaar stonden als kieuwen recht van mijn hoofd. Ik stond voor de spiegel en dacht: dit ben ik niet. Ik dacht ook: hier is geen redden meer aan.

Gealarmeerde blikken

De ‘ugliness penalty’ (de negatieve kant van ‘pretty privilege’), waarover ik had geschreven, voelde ik nu aan den lijve. Op straat ving ik weer blikken op, maar die waren niet keurend en geïnteresseerd, zoals vroeger, maar gealarmeerd en schichtig. Mensen keken en keken snel weg. Bekenden herkenden me niet als ze me tegenkwamen, een intens vervreemdende ervaring waardoor ik er nog sterker van doordrongen raakte dat je uiterlijk het contactpunt, de ‘interface’, is tussen je zelf en de wereld.

Ik zou graag vroom kunnen schrijven dat ik me door ziekte en behandeling bewust ben geworden van mijn privilege. Dat ik in het licht van ziekte, dood en verval ontdekte wat echt belangrijk is, en dat ik nu weet dat uiterlijk en schoonheid er niet toe doen.
Maar nee.
Als socioloog ben ik net zo goed onderdeel van de samenleving die ik bestudeer. Ik put uit dezelfde culturele bronnen om zin te geven aan mijn bestaan als iedereen. Alle culturele verhalen, beelden, normen, symbolen, routines, overtuigingen, vooroordelen en blinde vlekken maken dat ik hardnekkig bleef geloven dat ik er goed uit moest zien – ook toen ik vond dat ik wel wat beters aan mijn hoofd had.

Maar met mijn haar verloor ik mijn wetenschappelijke distantie. Waarom vond ik eigenlijk dat mijn waarde iets te maken had met schoonheid, dat mijn uiterlijk iets moest zeggen over mijn ‘zelf’? Ik voelde scherper dan ooit hoe de dwang en drang om mooi te zijn mensen meesleept in een schoonheidsrace, waarin ze steeds harder moeten werken om mooi te worden, en te blijven. Deze schoonheidsrace vervreemdt mensen van hun lichaam, van zichzelf en daarmee van elkaar.

Schoonheidsdwang

Als veel mensen ongelukkig zijn om dezelfde reden, is dit geen individueel maar een collectief probleem. Onbehagen over uiterlijk is een diep persoonlijke ervaring: steeds weer in de spiegel kijken, selfies posten en weer weghalen, overbewustzijn van bepaalde lichaamsdelen. Maar het is een sociaal fenomeen: vervreemding. Door de schoonheidsdwang en -drang hebben steeds meer mensen het gevoel dat hun lichaam ‘vreemd’ voor hen wordt.

Deze vervreemding zien we het duidelijkst bij mensen die aantoonbaar lijden onder onhaalbare schoonheidsidealen. Psychologen en medici hebben aangetoond dat eetstoornissen, lichaamsdysmorfie, dermorexia (obsessieve huidverzorging) en angsten en depressies gerelateerd aan lichaamsbeeld en uiterlijk gestaag toenemen. Ook (jonge) mannen hebben er steeds vaker last van; zij lijden bijvoorbeeld aan bigorexia, de zorg om niet gespierd genoeg te zijn. Deze aandoeningen gaan gepaard met diepe internalisering van de normen van het schoonheidsregime.

Maar vervreemding treft ook de ‘winnaars’ van het schoonheidsregime: mensen die mooi, jong, dun, gezond en wit zijn, en weinig moeite hebben om aan de norm te voldoen. Ook deze winnaars rapporteren steeds meer afstand tot hun lichaam, dat immers permanent tegen het licht gehouden wordt, gescand op minpunten en mogelijke verbetering. De objectiverende blik maakt je lichaam vreemd – alsof je jezelf bekijkt met de ogen van een ander.

Vervreemding uit zich als schaamte, ongemak, vage angst en onlust – onbestemde individuele ervaringen. Als collectief fenomeen is het al daardoor lastig te betrappen. Maar er is een domein waar we de effecten van deze vervreemding goed kunnen zien: seks.

Steeds later seks

Er is namelijk iets raars aan de hand met seks in onze steeds mooiere wereld. Onderzoekers op veel plekken in de wereld rapporteren dat jongeren steeds later aan seks doen. In Nederland begonnen jongeren, volgens cijfers van de Rutgersstichting, in 2023 ongeveer anderhalf jaar later met alle seksuele handelingen (zoenen, strelen, orale en vaginale seks) dan in 2012.

Dit is verrassend. Seks gaat om fysieke aantrekking – een van de belangrijkste biologische functies van schoonheid. Objectief zijn jonge mensen vandaag mooier dan ooit tevoren. Ze weten beter dan ooit hoe ze hun lichaam en gezicht zo mooi mogelijk moeten maken, en hebben daar meer middelen voor. Mensen met autoriteit zoals ouders of leraren doen minder moeilijk over seks dan vroeger, en datingapps maken het vinden van een sekspartner makkelijker. Seks is een van de leukste dingen die je met je lichaam kunt doen. Maar deze knappe jonge mensen zijn steeds terughoudender op seksueel gebied.

Deze paradox kunnen we onder meer begrijpen vanuit de vervreemdende werking van het schoonheidsregime. De grote bewustheid van uiterlijk en lichaam leidt bij veel jongeren tot een knagend gevoel dat hun lichaam niet goed genoeg is, en tot een behoefte om greep te houden op hoe je eruitziet en hoe je overkomt. Dit is slecht te rijmen met het ontremde, imperfecte, misschien niet altijd even esthetische plezier van seks.

Om het onbehagen over ons uiterlijk het hoofd te bieden zoeken we steeds nieuwe oplossingen om onszelf mooier te maken of, als dat niet meer lukt, de achteruitgang te stoppen. We besteden een groot en groeiend deel van onze tijd en ons geld aan het verbeteren van ons uiterlijk met steeds nieuwe kleding, maar ook met crèmes en lotions, fitnessroutines, make-up en haarproducten, cosmetische behandelingen en sessies bij kappers, schoonheidssalons en personal trainers. Zelfs eten komt in dit teken te staan: mensen eten kwark (proteïnes) niet omdat het lekker is maar voor de spieropbouw, en tomaten (antioxidanten) en amandelen (vitamine E) voor een mooie huid.

Looksmaxxing

We winden ons op over extreme voorbeelden: huidverzorgingsproducten voor kinderen, make-up voor 12-jarigen, Koreaanse gezichtsbehandelingen met zeven stappen, extreem dunne modellen, gezichten vol fillers, hypergespierde fitfluencers, peperdure medicijnen zoals afslankmedicatie en de meest recente hype: looksmaxxing. Maar deze focus op extreme voorbeelden normaliseert extreme schoonheidspraktijken.

Neem looksmaxxing: deze onlinetrend (met een onfrisse politieke ondertoon) spoort jonge mannen aan hun uiterlijk te ‘maximaliseren’ om zich staande te houden in onze meedogenloze wereld. De looksmaxxers maken handig gebruik van de logica van de aandachtseconomie. Naast adviezen als: eet proteïnes, oefen met gewichten voor brede schouders, bleek je huid, laat je neus rechtzetten, oefen op een harde blik (‘hunter eyes’), ging online ook het niet helemaal serieuze advies rond om je kaaklijn met een hamer te bewerken om deze harder en mannelijker te maken.

Terwijl iedereen zich druk maakte over die hamers, bleef de suggestie onweersproken dat tienerjongens zich moeten oppompen in de sportschool, proteïneshakes moeten drinken, moeten werken aan hun kaaklijn, kortom: dat waarde voortkomt uit hypermasculiene schoonheid. Vroeger waren het vooral tienermeisjes die in de spiegel keken en voelden hoe ze tekortschoten. Nu is ook voor tienerjongens hun lichaam een project en object.

Zo komt de lat steeds hoger te liggen. Veel schoonheidspraktijken die tien of twintig jaar geleden extreem leken zijn nu normaal. Denk aan botox. Bij de introductie was iedereen geschokt: gif inspuiten om je rimpels te verdoezelen! Inmiddels heb je al een botoxbehandeling voor 100 euro, en beginnen steeds jongere mensen aan de ‘babybotox’. Sociale media spelen vaak direct in op dit onbehagen over uiterlijk. In Careless People van Sarah Wynn-Williams, een voormalige werknemer van Meta, las ik dat Instagram een algoritme had (of heeft) waarbij tieners die een selfie posten en meteen daarna weghalen, extra reclame krijgen voor schoonheidsproducten. Onzekerheid over uiterlijk is een verdienmodel, en platforms gooien gretig olie op het vuur.

Al die inspanning lost het onbehagen over uiterlijk niet op. De nieuwe outfit, die eerst nog zo’n boost gaf, verliest vaak binnen een week zijn bijzondere status en ligt tussen de andere kledingstukken op de grote hoop. De botox is binnen een paar maanden uitgewerkt, en bij het volgende bezoek lonken de fillers. Het nieuwe zalfje geeft misschien een zacht gevoel, maar het gezicht in de spiegel blijft hardnekkig onvolmaakt.

Vervreemding

De klassieke analyse van vervreemding is van Karl Marx. Marx zag hoe mensen zich na de industriële revolutie steeds minder verbonden voelden met hun arbeid, terwijl tegelijkertijd hun levens, hun tijd en hun identiteit steeds sterker werden bepaald door datzelfde werk. Dit gapende gat tussen zelf en werk noemde hij vervreemding. Marx had het over arbeiders in 19de-eeuwse fabrieken, maar veel hedendaagse kantoorwerkers herkennen zich hier vast in.

Marx hoopte – en voorspelde – dat deze vervreemding zou leiden tot revolutie. Tot zijn teleurstelling gebeurde het tegenovergestelde: op zoek naar datgene wat hun steeds dreigde te ontglippen gingen mensen steeds harder hun best doen om mee te komen in het kapitalistische systeem.

Dit zien we ook bij het schoonheidsregime. Mensen zien hun lichaam steeds meer als object en project – maar dit maakt niet dat mensen zich keren tegen het schoonheidsregime. Integendeel: de vervreemding leidt er juist toe dat mensen koortsachtig op zoek gaan naar manieren om de verbinding tussen uiterlijk en zelf te herstellen.

Gas geven

Toen ik leidinggevende was aan de universiteit en veel opgebrande mensen sprak, gebruikte ik vaak de metafoor van de auto die vastzit in de modder (coaches zijn ook dol op deze metafoor). Veel chauffeurs geven extra gas in de hoop vooruit te komen en om het gevoel van controle te houden: stevig met je handen aan het stuur en je voet op het gaspedaal. Maar als je meer gas geeft, zak je juist dieper weg.

Ook mensen die zich goed voelen over het schoonheidsregime zoeken continu naar manieren om de verbinding met hun uiterlijk in stand te houden. Ze blijven maar gas geven, met steeds nieuwe aankopen en ingrepen om er goed uit te zien. Maar nooit komt het moment van: gefeliciteerd! Het is klaar, het werk is gedaan, nu ben je mooi. In plaats daarvan neemt de vervreemding toe. We worden steeds mooier, maar voelen ons lelijker.

Ik wist niet zo goed wat ik tegen die mensen in de pashokjes moest zeggen. Dat ze er mooi uitzien, en zo zorgen dat ze nog meer geld uitgeven? Of dat ook dit nieuwe kledingstuk hun leven waarschijnlijk niet mooier gaat maken, de relatie tussen uiterlijk en innerlijk niet zal herstellen? Wat in elk geval niet helpt is een college over Marx, in het harde witte licht van de Zara. Maar zonder sociologische blik kunnen we niet begrijpen waarom iedereen wijst op losse lichaamsdelen, en niemand tevreden is. Vervreemding is collectieve misère, vertaald naar individueel onbehagen.

Het dwingende schoonheidsideaal is geen individueel, maar een collectief probleem. Ook als we ons teweer willen stellen tegen dit regime, moet dat dus gezamenlijk. Inzicht in hoe dit regime werkt en hoe het ons vervreemdt, is een eerste stap, maar het is niet genoeg. Mensen, maar ook organisaties, bedrijven en overheden kunnen collectief verantwoordelijkheid nemen, door nieuwe normen te stellen die uiterlijk niet gelijk stellen aan waarde, of door in verzet te komen.

Maar er is vooral ook veel verbeeldingskracht nodig voor het beantwoorden van de beklemmende vraag waar het schoonheidsregime ons mee confronteert: kunnen we onze behoefte aan schoonheid zo vormgeven dat het onze wereld mooier maakt, en niet lelijker?

Giselinde Kuipers is hoogleraar sociologie aan de KU Leuven. Haar boek Lelijke mooie wereld is net verschenen. Delen van dit essay zijn een bewerking van hoofdstukken uit dat boek.

Dit is een verhaal uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next