Home

Connie Palmen wil geen omhelzing, ze heeft aan zichzelf genoeg

Over Connie Palmens laatste roman, Johnny Walker, zijn de meningen eensgezind: je komt er als lezer niet bij. Maar is de schrijver niet juist openhartig over haar uiteindelijke berusting met het alleen-zijn?

is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.

Ik zat over Connie Palmen na te denken – zoals iedereen die haar nieuwste roman heeft gelezen.

Johnnie Walker. Het is niet onopgemerkt gebleven. Vorige week nog de nummer 1 van de Bestseller 60.

Het is het verhaal van een jonge vrouw die op een goede dag een bar inloopt en bewust de keuze maakt zich te ketenen aan whisky. Wanneer ze decennia later in de ambulance naast haar aftakelende moeder zit, besluit ze te stoppen met drinken. De waaroms geeft ze niet.

In de rubriek ‘Reputaties’ kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.

Op de 230 pagina’s tussen de kaften verklaart iemand zichzelf zonder zich te verklaren, zonder causaliteit te bieden, zonder een routekaart te geven. De lezer moet zelf wegwijs worden. De critici leken zich te voelen alsof ze bij iemand thuis werden uitgenodigd, en eenmaal daar bij een dichte deur stonden:

‘Dit proza vergt overgave’, schreef Thomas de Veen in NRC. ‘In plaats van een inkijkje in wat haar eenzaamheid vormde, krijgen we zinnen van graniet.’

Ze ‘houdt de lezer op afstand met plechtstatige zinnen’, vond Dieuwertje Mertens in Het Parool. ‘Palmen toont vooral hoe moeilijk haar zelf opgetrokken façade zich laat afbreken.’

‘Wat vind ik?’, vroeg Charlotte Remarque zichzelf af in de Groene Amsterdammer. ‘Haar werk is erudiet, stoer, eigenzinnig, er spreekt een enorme liefde voor taal uit, en toch kan ik er niet van houden. Het láát niet van zich houden.’

En ondertussen waren er nog schrijvers van boze ingezonden opiniestukken en brieven: Palmen zou het moederschap als een belemmering voor het radicale schrijverschap zien, en dat was vrouw- en/of moederonvriendelijk.

Radicaal

En zo kan de lezer nu aan Johnnie Walker beginnen met een goed idee van wat het boek niet is. Niet een verhalende roman, niet een memoir waarin de fles van hals tot bodem wordt leeggedronken en uitgelegd.

Wat is het dan wel? Een fascinerend boek, een tegenstrijdig boek. Radicaal, ja. Bij vlagen ontroerend, bij vlagen onuitstaanbaar. Het is inderdaad op tal van momenten ostentatief stellig, zonder twijfel. Graniet inderdaad. De hoofdpersoon deelt de wereld op in meesters en vazallen, en wanneer iemand de wereld zo opdeelt, kun je er vergif op innemen dat ze zichzelf als meester ziet.

Het is ook een stelligheid waarvan je kunt denken: hier wordt iets gecamoufleerd. Wat?

De opgroeiende hoofdpersoon (Limburg in de jaren zeventig) is de enige dochter van een gezin dat draait om de immer zorgende moeder. ‘Alle gezinnen draaien om degene die het meest lijdt.’ De dochter voelt de versmelting, de omkering van rollen. ‘Ik werd wakker van mijn moeder zoals een moeder wakker wordt van haar kind.’

Ze beleeft een intense fascinatie voor Ulrike Meinhof. In 1970 zou Meinhof meehelpen met een list om de terrorist Andreas Baader te laten ontsnappen, die onder politiebegeleiding een bibliotheek mocht bezoeken. Zelf zou zij – een linkse journalist, moeder van twee dochters – achterblijven en alle betrokkenheid ontkennen. Maar dan ziet ze Baader uit een openstaand raam gaan en besluit ze in een fractie van een seconde erachteraan te gaan. ‘Ze stapt uit haar leven, laat iedereen voorgoed achter.’

‘Onbegrijpelijk dat een vrouw met kinderen dit kan doen’, zegt haar moeder.

‘Je kinderen verlaten is natuurlijk niet te vergelijken met ze vermoorden’, zegt een familievriend, die toevallig familie is van Meinhof, ‘al denk ik wel dat het omgekeerde is gebeurd, dat Ulrike Meinhof zichzelf als moeder heeft vermoord.’

Haar huid krimpt, schrijft Palmen. Oftewel: kippenvel.

In de gemeentezaal van het dorp ziet ze een kalende, lispelende dronken man. Het is 1972. Vastgenageld aan de rand van de zaal volgt ze zijn bewegingen, zijn weerloosheid door zijn beschonken staat, zijn ongeremde vrijheid. ‘Ik schrik van mezelf, ik wankelde van verlangen.’

Hij is drummer, hoort ze. Als hij gedronken had ‘behoorde hij niemand toe, vergat het oog van de wereld’.

Hare krisjna

Zo gaat het verder. Ze merkt op hoe gelukzalig ze zich voelt als ze relaties uitmaakt, ze fantaseert over de dood van iedereen die ze kent. Ze hoort de aanhangers van de hare krisjna zingen op straat en verafschuwt ze en benijdt ze. ‘Niets bezit een grotere aantrekkingskracht dan een saamhorigheid die alle individuele verschillen uitwist, en niets is gevaarlijker.’

Hoofdstuk na hoofdstuk gaat over weggaan of aansluiten, over verbinding en ontkoppeling. Het verlangen om vrij te zijn en de angst alleen te zijn. Het verlangen bij iemand te horen en de angst daarbij jezelf te verliezen.

Voor een boek dat zo stellig de lakens uitdeelt, is het opvallend hoe vaak momenten van angst worden beschreven.

Misschien wordt in dit boek niet zozeer iets gecamoufleerd, maar is Johnnie Walker een poging om zich te verzoenen. Met het alleen-zijn. Zo is het niet de stelligheid van de compromisloze allesweter, maar de stelligheid van een mantra dat moed in moet spreken.

De hoofdpersoon, laten we er Connie Palmen in zien, wil niemand nodig hebben. In die zin hebben de critici en de boze opinieschrijvers haar precies gegeven wat ze wilde. Ze wil de omarming niet, ze wil aan zichzelf genoeg hebben.

Slotzin: ‘Ik ben nu op mezelf.’ Ik las die slotzin en dacht: dit is de enig mogelijke slotzin.

Johnnie Walker. Aanvankelijk dacht ik dat Palmen het whiskymerk bedoelde. Maar misschien bedoelt ze niet het merk, maar het logo. Dat mannetje, die wandelaar, die licht voorovergebogen, met grote passen en zijn hand op zijn hoed, in zijn eentje tegen de wind in lijkt te lopen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next