Orgaandonatie bij euthanasie is relatief nieuw. Volgens de huidige richtlijnen mogen artsen er niet over beginnen tegen patiënten, terwijl het jaarlijks honderden levens kan redden. ‘Dat ik doodga is zinloos. Maar dat ik dit kan doen voor anderen, geeft mijn dood zin.’
is zorgverslaggever van de Volkskrant.
Over 96 uur zal Ivo Huysmans (62) sterven.
Hij zal overlijden op een tijdstip dat nu al vaststaat. Daarna zal zijn lichaam op een koele operatietafel worden gelegd door een team van chirurgen. Buiten zullen vier auto’s klaarstaan om zijn organen te vervoeren. Ze gaan naar doodzieke patiënten die al jaren wachten op nieuwe nieren. Nieuwe longen. Een nieuwe lever.
In zijn huiskamer steekt Ivo kalm een rietje in een kom huisgemaakte prei-kerriesoep. ‘Ik ben niet bang voor de dood’, zegt hij. ‘Ik zit er niet naar te hunkeren. Maar ik verlang er wel naar dat dit stopt.’
Hij ademt hoorbaar in en uit – elke ademteug kost moeite. Hij zit in een rolstoel. Op zijn gezicht draagt hij een masker dat lucht onder lichte druk zijn neus in pompt. Hij kan ermee praten. Soms komt er een hap lucht met een vreemd geluid weer naar buiten. Voor de fotograaf doet hij zijn masker even af en zuigt hij extra zuurstof zijn longen in via een slang, waardoor zijn borstkas hevig op en neer gaat. Wie naar hem kijkt, voelt zich benauwd.
Ivo heeft ALS, een ongeneeslijke en dodelijke ziekte waarbij patiënten gaandeweg de controle over hun spieren verliezen en steeds verder verlamd raken. Tot uiteindelijk de ademhalingsspieren ermee ophouden.
Toen hij die diagnose kreeg, nam hij in een vroeg stadium het besluit om niet af te wachten tot het einde, maar een arts te vragen om euthanasie, zodra hij voelt dat het niet meer gaat. Daarbij deed hij iets uitzonderlijks: hij vroeg aan de artsen of hij daarbij zijn organen kon doneren.
Vier dagen voor zijn overlijden praat hij met de Volkskrant over dat besluit. Het betekent dat hij in het ziekenhuis moet sterven – anders blijven zijn organen niet goed. Ook heeft hij zelf het initiatief hiertoe moeten nemen. Artsen mogen volgens de huidige richtlijnen in principe geen orgaandonatie voorstellen als iemand euthanasie krijgt.
In de week waarin Ivo afscheid neemt, ruimt hij uren in voor een gesprek. Omdat hij hoopt dat hij anderen kan inspireren. Want er is een ding dat hem verbaast. ‘Elk jaar gaan er vijfhonderd mensen dood aan ALS’, zegt hij. ‘Waarom weet niet iederéén dat orgaandonatie bij euthanasie kan?’
In de zomer van 2022 wandelt Ivo tijdens een vakantie in Italië met zijn vrouw Jeanne Lingg door de bergen. Ze zijn al bijna twintig jaar samen, en ze merkt dat er iets niet klopt. ‘Je struikelt de hele tijd’, zegt ze, ‘let eens een beetje op.’ Hij wuift alles weg. Niks aan de hand, zegt hij nonchalant.
Thuis vergeten ze het weer, het is druk. Ivo is ingenieur en leidinggevende bij het Belgische telecombedrijf Proximus. Hij zit in de raad van bestuur van een organisatie van telecomoperatoren. Hij leidt grote projecten – eigenlijk net als in zijn vrije tijd. Hij ontwierp en verbouwde eigenhandig zijn huis, legde een zwembad aan in zijn tuin, hielp vrienden bij renovaties en het aanleggen van bewateringsinstallaties. Hij houdt van techniek. Bij een probleem zoekt hij net zo lang door tot hij snapt hoe iets in elkaar zit. Ivo heeft vier rechterhanden, zegt zijn familie.
Maar hij wordt steeds vaker moe. Soms ziet Jeanne dat hij krom staat. Tijdens een feestje wankelt hij bij het dansen.
Op een dag ploft zijn linkervoet ineens bij elke stap op de grond. De spier die de voet omhoog houdt, werkt niet meer. Een klapvoet. Een neuroloog verwijst hem naar een academisch ziekenhuis. ‘Toen ik het specialisme van die arts googelde, dacht ik: o jee’, zegt Ivo.
De oorzaak van ALS is nog altijd onbekend. De diagnose kan niet zomaar worden gesteld: het is een kwestie van eliminatie, van het wegstrepen van andere mogelijkheden. Na maanden van onderzoek zitten Ivo en zijn vrouw in oktober 2024 om negen uur ’s ochtends klaar voor de uitslag. ‘De hoogleraar liet ons scans zien waar we niet veel van begrepen’, vertelt hij. ‘Daarna kwam hij met de mededeling: ‘U heeft ALS.’ Ik had me ingelezen, dus ik wist meteen: dit wordt mijn dood.’
‘In de dagen daarna wist ik dat ik twee dingen kon doen’, zegt hij. ‘In een hoekje zitten janken of nog iets van mijn leven maken. Ik koos voor het laatste. En ik nam een besluit: ik ga dit aanvaarden.’ Hij bestelt online een orthese, een steun om zijn voet haaks te houden, en gaat weer aan het werk.
Maar het lukt niet iedereen om zo rationeel te reageren. ‘Ik kon de eerste weken niet meer stoppen met huilen’, zegt zijn vrouw Jeanne. Ze vertelt dat hij als een tweede vader is voor haar volwassen kinderen.
In die tijd ziet Ivo op sociale media een foto die hem niet meer loslaat. Hij is van een vrouw van 20 jaar, ze staat op de Dam in Amsterdam, in haar armen houdt ze een zuurstofapparaat geklemd. Door een ziekte zitten haar longen zo vol met littekens dat ze niet meer kan sporten, niet meer naar school kan. Haar longcapaciteit is nog 16 procent. Ze heeft een transplantatie nodig, maar de donorlongen zijn er niet.
‘Ineens dacht ik: ik heb een stel goede longen’, zegt Ivo. ‘Straks ben ik toch dood. Waarom zou ik die niet aan iemand doorgeven?’
Jaarlijks vinden in Nederland ongeveer 1.500 orgaantransplantaties plaats, met organen van ruim achthonderd donoren. Sommigen staan bij leven een nier of een deel van hun lever af. Maar de meeste organen komen van overleden donoren. Vaak zijn dat mensen die na een ongeluk of hersenbloeding op de intensive care belanden en hersendood raken. Als ze in het Donorregister met ‘ja’ of ‘geen bezwaar’ staan geregistreerd – zo’n 60 procent van de Nederlanders – mogen artsen in principe een donatieprocedure starten. Bij meer dan de helft van de overledenen die onder de nieuwe categorie ‘geen bezwaar tegen orgaandonatie’ staan geregistreerd, stemmen de naasten alsnog niet in met donatie. Dit is in de ruim vijf jaar na de invoering van de nieuwe donorwet gebleken.
Sinds 2020 staat iedere Nederlander vanaf zijn 18de in het Donorregister. Met ‘ja’ of ‘nee’. Of met ‘geen bezwaar’, voor wie niets laat horen. Een klein deel kiest ervoor om iemand anders te laten beslissen. Maar de nieuwe donorwet heeft niet de gehoopte extra donoren opgeleverd, bleek deze week uit onderzoek van de Nederlandse Transplantatie Stichting. Het aantal overleden orgaandonoren steeg de afgelopen vijf jaar slechts licht. Het is bij lange na niet genoeg.
Eind vorig jaar stonden er bijna 1.600 mensen op de wachtlijst. Voor honderden mensen kwam hulp niet op tijd: 133 mensen op de wachtlijst overleden, en nog eens 137 patiënten werden zo ziek dat ze ongeschikt waren om nog een orgaan te ontvangen – zij moesten van de transplantatiewachtlijst af. Voor patiënten en artsen zijn dit zeer ingrijpende beslissingen: het betekent dat mensen op korte termijn zullen overlijden. Vooral de vraag naar nieren is groot; de wachttijd bedraagt zeker tweeënhalf jaar. Als die nier dus al komt.
Sinds 2005 bestaat er een optie die het aantal organen aanzienlijk kan verhogen: orgaandonatie na euthanasie. Het idee kwam van de Belgische Diana, die door een hersenbloeding grotendeels verlamd en blind raakte. Ze vroeg aanvankelijk alleen om euthanasie. ‘Ik kan niets meer alleen’, stelde ze. ‘Ik kan zelfs mijn frustraties niet laten zien want ik kan niet roepen en ik kan zelfs nergens op kloppen. Niemand kan zich voorstellen hoe dit voelt. Eigenlijk ben ik dood, maar ik ben vergeten te sterven.’
Vlak voor haar euthanasie hoorde ze op de radio over het donortekort. En bedacht ze haar plan. ‘Dan doe ik toch nog iets goed met dat lijf van mij’, zei ze. Haar huisarts stapte naar een Antwerpse hoogleraar transplantatiechirurgie, die het in één week voor elkaar wist te krijgen. Een wereldprimeur. Diana stond uiteindelijk vier organen af.
Toch hoorde de rest van de wereld hier lange tijd niets over. ‘Het ziekenhuis droeg mensen op om hier een jaar lang over te zwijgen’, vertelt anesthesioloog en jurist Jan Bollen, die onderzoek deed naar orgaandonatie. ‘Ze waren bang voor negatieve publiciteit. Pas na meerdere Belgische casussen durfden ze erover te publiceren.’ De casus-Diana kwam uiteindelijk pas in 2009 naar buiten.
In 2012 volgde Nederland met een eerste casus: een ALS-patiënt. ‘Toen ik daar drie jaar later over vertelde op een Engels congres’, zegt Bollen, ‘zag ik mensen bleek wegtrekken. ‘Wát doen jullie daar?’, vroegen ze. Eigenlijk konden ze al niet geloven dat we hier duizenden euthanasieën per jaar uitvoerden.’ Het leidde tot spookverhalen in het buitenland, zegt hij. ‘Sommigen dachten dat wij hier wegkwijnende, oude vrouwtjes doodspoten.’ Een conservatieve Italiaanse krant schreef dat patiënten werden gereduceerd tot ‘opslagplaats van reserveonderdelen’. Britse politici noemden de Nederlandse praktijk ‘griezelig’ en ‘schokkend’.
Maar dat sentiment is in sommige landen wel gekeerd. Zo introduceerde Canada in 2016 een euthanasiewet. ‘Nog geen half jaar later vonden de eerste orgaandonaties bij deze patiënten plaats’, vertelt intensivist Nathalie van Dijk van Maastricht UMC. ‘Ook in Spanje gebeurt dit inmiddels, en in Australië gaan ze ook die kant op. Als euthanasie eenmaal wordt geaccepteerd in een land, volgt orgaandonatie daarna vaak heel snel.’ In Spanje steeg het aantal euthanasiedonoren in vier jaar tijd van 7 naar 72 per jaar. Ook Canada zit op 71 per jaar.
In Nederland groeien deze aantallen minder hard. In 2024 waren er 32 donoren na euthanasie. Een jaar later waren dat er 34.
Deze aantallen vormen nog geen 0,4 procent van alle euthanasieën. Terwijl uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat ongeveer 10 procent van de euthanasiepatiënten medisch gezien geschikt is voor orgaandonatie. Tot deze groep horen patiënten met neurodegeneratieve ziekten, zoals ALS, MS, Huntington en dementie, terwijl patiënten met kanker juist niet geschikt zijn. Met in totaal bijna tienduizend euthanasiegevallen per jaar zouden dus bijna duizend mensen in aanmerking komen voor orgaandonatie.
Het betekent dat artsen in Nederland elk jaar honderden potentiële orgaandonoren onder euthanasiepatiënten ‘missen’. Ze worden niet gezien, niet gevraagd, niet aangemeld. En dat terwijl elke orgaandonor meerdere organen kan geven, tot maximaal zeven: hart, lever, longen, pancreas, dunne darm en twee nieren.
‘Als alle geschikte euthanasiepatiënten in één jaar hun organen doneren, zouden de wachtlijsten in één keer verdwijnen’, zegt intensivist Van Dijk. ‘Zelfs als we rekening houden met de 40 procent van de mensen die geen orgaandonor wil zijn.’
‘Een van de oorzaken’, zegt ze, ‘is dat veel mensen niet eens weten dat dit mogelijk is.’
Van Dijk deed onderzoek, en sprak met nabestaanden. ‘Daar zaten mensen bij die heel teleurgesteld waren’, vertelt ze. ‘Die zeiden: als mijn partner of geliefde had geweten dat orgaandonatie had gekund, dan had hij dit zéker gewild. Nu is hem die kans ontnomen – alleen omdat hij het niet wist.’
In de gang bij de voordeur staat Ivo’s schrikbeeld te wachten. De tillift. Soms stelt hij zich voor dat zijn vrouw hem daarin moet verplaatsen. Naar de wc, of naar zijn bed. Hij is nog nooit gebruikt.
‘Ik zit opgesloten in mijn lichaam’, zegt Ivo. Dingen die een mens achteloos doet, verdwenen de afgelopen maanden een voor een uit zijn leven. Rechtop in bed gaan zitten. Opstaan uit een stoel. Een dopje opendraaien. De ‘afvalkoers’, zo noemt hij het. ‘Vaak zit ik met mijn hoofd achterover’, zegt hij, ‘want als ik te veel voorover zit, dan valt het zo – bóm – op tafel.’
‘Als er verder niets gebeurt, zal ik uiteindelijk stikken’, vertelt Ivo. ‘Nou ja, stikken is misschien een groot woord. Doordat de ademhaling steeds slechter gaat, hoopt koolstofdioxide zich op in je lichaam. En zak je langzaam weg.’
Lange tijd wist hij alles te verdragen. ‘Tot het moment dat ik mijn armen plotseling niet meer op kon tillen om ze op tafel te leggen’, zegt hij. ‘Ik moest aan Jeanne vragen om ze te verplaatsen.’ Nog diezelfde dag vertelt hij dat hij de euthanasie wil plannen. ‘Ik wil niet als een plant in mijn bed komen te liggen, als iemand die alleen nog maar gevoed en verschoond hoeft te worden.’ Hij praat erover zoals hij over alles praat. Helder. Realistisch.
Dat hij over vier dagen vanwege de orgaandonatie in het ziekenhuis moet overlijden – daar heeft hij zich op ingesteld. Hij incasseert het, zoals hij zijn ziekte incasseert. Zijn familie zal met hem meegaan.
Ineens huilt hij, als het over Jeanne gaat – het valt niet mee onder zijn masker. ‘Ik weet dat mijn beslissing haar veel pijn en verdriet bezorgt’, zegt hij. ‘Maar ze zegt dat zij hetzelfde zou doen.’
Overmorgen krijgt hij – vlák voor zijn dood – in het ziekenhuis nog scans, om te bepalen of zijn organen eigenlijk wel geschikt zijn. Dat dit zo laat gebeurt, komt doordat artsen pas met een donatieprocedure mogen beginnen als de beoordeling van de euthanasie is afgerond.
‘Dat ik doodga is zinloos’, zegt Ivo. ‘Maar dat ik dit kan doen voor anderen, geeft me een heel goed gevoel. Het geeft mijn dood zin. Het geeft me ook een beetje het eeuwige leven, het gevoel dat ik doorleef. Ik hoop dat ze de ontvangers een mooi leven geven: mijn nieren, mijn lever, mijn longen. Ik geef mijn organen zonder enige jaloezie weg.’
In het Maastricht UMC vertelt hoogleraar Walther van Mook waarom de aantallen euthanasiedonoren maar heel geleidelijk stijgen. Van Mook is intensivist, gespecialiseerd in orgaandonatie: op de intensive care voert hij gesprekken met families van stervenden, en zet hij donaties in gang. Het vergt tact. En empathie. Maar als arts is hij ook niet bang om af en toe de discussie op scherp te zetten, ook al is dit een gevoelig onderwerp. ‘Als we de wachtlijsten uiteindelijk kunnen inkorten, is dat een groot goed’, zegt hij.
Het Maastrichtse UMC heeft nu bij in totaal zestien patiënten orgaandonatie na euthanasie verricht – daarmee is het een van de meest actieve en ervaren ziekenhuizen. ‘Je moet je realiseren’, zegt Van Mook, ‘dat dit om mensen gaat die soms lopend het ziekenhuis binnenkomen. Mensen die grappen aan het maken zijn. Die heel erg levend zijn. En die vervolgens een uur later onder een wit laken dood de afdeling worden afgereden. Dat is belastend voor de naasten. Maar ook voor het medisch team dat dit uitvoert.’
‘In het begin zaten we elke keer een uur bij de top van het ziekenhuis om uit te leggen wat we gingen doen, wat dit inhield, hoe oud de patiënt was, met wie we het allemaal hadden kortgesloten’, vertelt hij. ‘Bestuurders vroegen zich af: kán dit wel? Mág dit wel? Inmiddels hebben ze er wel vertrouwen in dat wij dit kunnen.’
‘Niet alle ziekenhuizen zijn al zover’, zegt hij. ‘Dat is geen verwijt, ik constateer het. Het heeft te maken met cultuur, met religie, met angst. Met gebrek aan ervaring.’
Orgaandonatie na euthanasie is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Het gaat gepaard met complexe ethische dilemma’s. Tegenstanders zijn bang voor een hellend vlak, een ‘slippery slope’. Ze vrezen dat euthanasiepatiënten morele druk zullen voelen, van artsen of de maatschappij, om hun organen te doneren. Hoe vrijwillig is zo’n beslissing? En hoe beïnvloedbaar is de patiënt? Ze zijn bang dat zaken op een ongezonde manier door elkaar gaan lopen. Dat patiënten euthanasie gaan vragen omdat ze hun organen willen doneren. Dat ze de dood voor hun naasten zo acceptabeler maken. Of dat artsen misschien eerder een euthanasieverzoek zullen inwilligen, omdat dit organen ‘oplevert’.
Om dit te voorkomen worden de euthanasie en de orgaandonatie strikt van elkaar gescheiden, met verschillende medische teams. De artsen van de euthanasie mogen op geen enkele manier betrokken zijn bij de donatie, het transplantatieteam is niet aanwezig bij de euthanasie. Ook mogen artsen pas concrete gesprekken voeren over donatie nadat de euthanasieaanvraag is goedgekeurd. Alles om te vermijden dat de indruk ontstaat van een ‘jacht op organen’.
Boven op al deze ethische dilemma’s is er de laatste jaren nóg een gevoelig thema de orgaandonatie binnengewandeld: mensen die euthanasie krijgen wegens ondraaglijk psychisch lijden. Hoewel de aantallen laag zijn, vormen ze inmiddels de meerderheid: in 2024 was bij 21 van de 32 euthanasiedonoren sprake van psychisch lijden.
Ook in Maastricht zien ze dit. Maar ze zijn er helder over: deze patiënten worden beschouwd als elke andere euthanasiepatiënt – zoals de richtlijn dat voorschrijft. Het is niet aan donatie-artsen om een oordeel te vellen over de euthanasie, stellen ze, juist omdát de procedures gescheiden moeten blijven.
In de praktijk zien ze wat orgaandonatie voor deze patiënten kan betekenen. ‘Deze mensen komen hier soms binnen alsof het de mooiste dag van hun leven is’, zegt donatie-intensivist Nathalie van Dijk. ‘Zij hebben vaak het gevoel dat hun leven niet is gelukt, dat ze een last waren voor de maatschappij. Een orgaandonatie geeft hen het gevoel dat ze iets terug kunnen doen. Ze zijn vaak ontzettend dankbaar dat dit kan.’
‘We zien ook dat dit nabestaanden kan helpen’, zegt ze. ‘De laatste wens van hun familielid is vervuld.’
Soms gaan orgaandonaties bij euthanasie niet door, omdat patiënten afhaken. ‘Niet iedereen wil in het ziekenhuis overlijden’, zegt donatie-intensivist Nathalie Van Dijk. ‘Bovendien kost het tijd. Er zijn patiënten die op zondag bedenken: ik wil op maandag de SCEN-arts en op woensdag de euthanasie. Maar zo snel gaat het niet. Je hebt minstens een week nodig. Je moet patiënten vinden die een match zijn, zorgen dat ze worden opgenomen, operatieschema’s op elkaar afstemmen.’
Toch ligt de belangrijkste oorzaak voor het relatief lage aantal euthanasiedonoren ergens anders, zegt ze.
De twee Maastrichtse artsen kijken al jaren met lede ogen naar een formulering in de richtlijn voor Orgaandonatie na Euthanasie (ODE). Daarin staat expliciet dat een euthanasiepatiënt in principe zélf het initiatief moet nemen tot orgaandonatie.
‘Als de patiënt nog nooit van de mogelijkheid heeft gehoord’, zegt Van Mook, ‘dan gaat de huisarts de vraag dus niet stellen.’ In de praktijk blijken huisartsen inderdaad zelden van deze richtlijn af te wijken: patiënten horen hier vaak niets over, als ze zelf niet op het idee komen.
Van Mook: ‘We weten uit onderzoek dat sommige huisartsen achteraf vinden dat het heel mooi is verlopen. Zij zullen eerder geneigd zijn om de volgende patiënt wél te informeren. Maar er zijn ook huisartsen die zeggen: wat was me dat een gedoe – een euthanasie is emotioneel al zwaar, en nu had ik ook nog die hele procedure in het ziekenhuis erbij.’
De eis staat in de huidige richtlijn omdat beide procedures elkaar niet mogen beïnvloeden. Toch botsen hier de belangen, zegt Van Mook: ‘Het is absoluut onacceptabel als een patiënt zich onder druk gezet voelt om zijn organen te doneren. Maar het is óók onacceptabel als de patiënt er nooit iets over hoort van een arts, terwijl hij eigenlijk zijn organen had willen doneren.’
‘In de medische wereld hebben we de mond vol van shared decision making’, aldus de hoogleraar. ‘We nemen samen met patiënten medische beslissingen, we willen communiceren op basis van gelijkwaardigheid – enzovoort. En dan gaan we patiënten nu informatie onthóuden? Dat is eigenlijk niet uit te leggen.’
De twee Maastrichtse intensivisten willen in hun beroepsgroep een pleidooi houden voor het veranderen van de richtlijn. ‘Ik vind dat een arts zelf zou mogen inschatten of zijn patiënt het aankan’, zegt Van Dijk. ‘Een huisarts weet echt wel óf, hoe en wanneer hij neutraal kan bespreken met zijn patiënt dat hij zijn organen kan doneren.’
Hun collega en anesthesioloog Bollen wijst op de Wet op de orgaandonatie. ‘Daarin staat dat een arts in het donorregister moet kijken, als hij verwacht dat de patiënt op afzienbare termijn gaat overlijden, en als de patiënt in aanmerking komt voor donatie. Als iemand in dat register met ‘ja’ of ‘geen bezwaar’ staat, dan is dat voor de arts een goede reden om erover te beginnen.’
De avond voor zijn dood brengt Ivo door met zijn vrouw en de kinderen. Ze eten en drinken champagne, zijn lievelingsdrank. Even later zakt hij in de badkamer door zijn benen en belandt hij op de vloer, de verpleegkundige moet hem samen met Jeanne overeind helpen. ‘Het was de eerste keer dat dit gebeurde’, zegt Jeanne. ‘Voor ons was het duidelijk: dit was het juiste moment voor de euthanasie.’
De volgende ochtend zitten ze aan het ontbijt. ‘Hij zei: poeh, ik vind het nu toch wel spannend worden’, vertelt ze. ‘Toch heeft hij die ochtend geen traan gelaten. Hij was er klaar voor.’
Ze worden opgewacht in het ziekenhuis, waar ze horen dat al zijn organen goed zijn. In een aparte kamer nemen ze afscheid. Meerdere artsen zijn aangedaan – ze verontschuldigen zich voor hun tranen.
Als de euthanasiearts Ivo het infuus geeft, is de sfeer warm en bijzonder, zegt Jeanne. Ze houden hem vast. ‘Hij maakte een grap. Daarna zei hij hoeveel hij van iedereen hield, dat hij zo’n mooi gezin had, dat hij zo gelukkig was. Hij zei: we hebben nog vijf mi… – en toen was hij weg.’
Vanuit een andere kamer kijken de intensivisten ondertussen toe. De no touch-periode is ingegaan: vijf minuten waarin de patiënt niet aangeraakt mag worden door artsen – de familie mag dat wel. De wachttijd is een wettelijke eis om er zeker van te zijn dat de patiënt daadwerkelijk is overleden als de patiënt naar de operatiekamer wordt vervoerd en de organen worden uitgenomen. Via de monitor houden artsen zijn hartslag en bloeddruk op afstand in de gaten. Pas als de dood is vastgesteld, mogen ze verder.
Daarna gaat het snel. De deuren gaan open.
‘Ze zeiden: sorry, nu moeten we hem meenemen’, vertelt Jeanne. ‘Maar daar waren we op voorbereid.’
In hoog tempo wordt Ivo naar de operatiekamer gereden. Jeanne en de kinderen lopen mee tot aan de klapdeuren. Een team van chirurgen staat in blauwe pakken te wachten. Nog diezelfde avond krijgt Jeanne Ivo’s lichaam thuis.
Zes weken later komt het bericht: alle transplantaties zijn geslaagd. Drie mannen en één vrouw hebben hun leven weer terug.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant