Home

In ‘Mystiek Lichaam’ faalt de zoektocht naar verbondenheid. Uiteindelijk is het ieder voor zich

Mystiek Lichaam, de roman De controversiële roman ‘Mystiek Lichaam’ van Frans Kellendonk geldt als een van de grote romans uit de Nederlandse literatuur. Er wordt nu, veertig jaar na verschijning, een theaterversie van gemaakt. In aanloop daarnaartoe: wat maakt het boek zo bijzonder?

Kirsten Mulder (links) en Teunie de Brouwer, met op de achtergrond Marley Verbeem (links) en Michael Muller in de theaterbewerking van Mystiek Lichaam, door Koen Verheijden, voor Toneelschuur Producties.

De verschijning van Mystiek Lichaam van Frans Kellendonk was in 1986 met controverse omgeven. Critici doken op het boek en bestempelden het als antisemitisch, seksistisch en antihomo. Het klopt dat het boek wordt bevolkt door onaangename personages die geregeld verwerpelijke uitspraken doen. Kellendonk verweerde zich door te stellen dat een boek over antisemitisme zelf niet antisemitisch is. Zijn inzet, schreef hij, was „de psychische en sociale mechanismen bloot te leggen die tot racisme leiden”. De critici hadden de opvattingen van de personages verward met die van de auteur: een klassieke misvatting.

In de loop der tijd is het boek de rel te boven gekomen. Jaap Goedegebuure meldde in zijn Kellendonk-biografie dat deze „affaire” het zicht ontnam op de recensies waarin „bewondering”  de overhand had. En letterkundige Hugo Brems merkte tien jaar geleden in zijn literatuurgeschiedenis droog op dat „een deel van de literaire kritiek anno 1986 niet rijp was” voor de postmoderne strategieën in het boek. „Het is geen knus boek en dat wil het ook niet zijn”, schreef Kellendonk, terugkijkend op de kritiek.

Hernieuwde aandacht voor het boek is er dit jaar doordat de jonge regisseur Koen Verheijden een theaterbewerking gaat maken, bij het Haarlemse Toneelschuur Producties. Vorig jaar koos de jonge regisseur ook al voor een boekbewerking, toen hij de romans van Andreas Burnier afstofte en er een aantrekkelijke, levendige voorstelling van wist te maken. Met zijn keuze voor Mystiek Lichaam maakt hij het zichzelf niet makkelijk: het is een ideeënroman, arm aan plot, uitpuilend van de literaire kunstgrepen.

Toch is zijn interesse begrijpelijk, want het is ook een bloedmooie, formidabele roman, die geldt als een moderne klassieker in de Nederlandse literatuur. Wat maakt het zo’n bijzonder boek?

In de eerste plaats is het adembenemend goed geschreven, in een flonkerende taal. De schrijver beweegt zich als een elegante schermer over de bladzijden, attaquerend en riposterend, met snel voetenwerk, en strooit met metaforen, aforismen en provocaties om de lezer te raken. Het idioom is rijk (woorden als faïence, morganatisch, wie kent ze?) en beladen met referenties: aan de Bijbel, Shakespeare, F. Bordewijk, Blaise Pascal, John Ruskin, Carry van Bruggen, Auguste Villiers, et cetera. Bij elke lezing kun je je nog verbazen over het literaire vernuft.

Aanstekelijk is de tragikomische dimensie van het boek, waarbij het tragische van de personages overheerst: de ideale voedingsbodem voor het komische. Wat daarbij helpt, is dat de personages allesbehalve realistisch getekend zijn. De drie hoofdpersonages, een vader, een zoon en dochter, drie tegenpolen, zijn over-de-top zelfzuchtig en hardvochtig, tegen het karikaturale aan. De vader A.W. Gijselhart is een zelfingenomen vrek, die leeft als kluizenaar op zijn terrein, de Doornenhof. Geld is zijn religie en de fiscus „de erfzonde”: de christelijke symbolen zijn vanaf de eerste pagina dominant.

Kluchtige scènes

Het komische is expliciet in de kluchtige scènes die centraal staan in de drie delen waarin het boek is opgedeeld. In deel één keert de dochter, Magda, terug bij haar vader en gaan ze samen uit eten, waarbij de vader een handeltje met de restauranteigenaar sluit om niet te hoeven betalen. Het tweede deel speelt zich af op de bruiloft van een vriendin van Magda, waarin de zoon, Leendert, zijn grote liefde ontmoet, aangeduid als ‘de rijpere jongen’. Het bruidspaar heeft broer en zus en jongen uitgenodigd voor de bruidsnacht, maar geen van de mannen heeft veel interesse in de vrouwen. In deel drie bloeit de Doornenhof op: Magda heeft een kind gekregen, Leendert keert terug naar huis na lang in New York te hebben gewoond. Voor even is de familie compleet en gloort er harmonie. Maar de komst van de tot dan toe afwezige vader van het kind leidt tot kolderieke reacties.

Die scènes geven zuurstof aan wat Kellendonk zijn „ideeënmuziek” noemde, ontstaan uit „het debat tussen het ik en het zelf”. Dat debat bevat controversiële gedachten over ouderschap, kunst, religie, samenleven en de waarde van geld. Dubbelzinnigheid is troef: odes klinken vals, opvattingen worden met evenveel aplomb als ironie uitgevent. Mystiek Lichaam is een door en door sceptisch boek dat bestrijdt wat het ophemelt en zegent wat het zegt te haten.

In die opzet neigen de personages naar allegorische figuren, groteske zetstukken in het postmoderne vormenspel van de auteur. Dat begint al bij de woordspelige namen. Vader A.W. Gijselhart is arm aan gevoelens: heeft zijn hart gegijzeld. Zijn initialen vormen een verflauwde echo van Jahwe: de Hebreeuwse naam voor God, verwijzend naar zijn kortstondig succes als aartsvader van zijn gezin.

Als Magda er in de bruidsnacht achter komt dat haar broer homo is, verwijt ze hem op „seksuele ruimtevaart” te zijn gegaan. Homo’s maken volgens haar geen deel uit van de geschiedenis, die gevormd wordt door voortplanting: het is een geschiedenis van het „vlees”. „Mannen hebben zich van de vrouwen afgewend”, zegt ze: „Alsof ze niet weten hoe bijkomstig ze zijn en afhankelijk van ons vrouwen.” Want vrouwen zijn „de ruggegraat van het mensengeslacht”.

Zijn bijkomstigheid wordt uitgedrukt in zijn beide namen, Leendert en ook wel Broer. De naam Magda, anagram voor maagd, benadrukt haar rol in de voortplanting, terwijl de bijnaam die haar vader haar geeft, Prul, het dedain van vader en zoon voor vrouwen bij voorbaat duidelijk maakt.

Dat het scheppen van leven staat tegenover het scheppen van kunst is een centrale gedachte in het boek. Leendert is kunstcriticus. De wereld van de kunst is voor Leendert als een gotische kerk, zet hij uiteen. De pilaren van de kerk streven verticaal ten hemel, maar in de hoogte buigen ze zich voor „de maagd”, een vrouw van vlees en bloed, een „toren van vlees”. Achter haar een beeld van een madonna, van een „dwaze pottenbakker”. Leendert beschrijft Madonna in de kerk van Jan van Eyck, waarin door het gekozen perspectief de vrouw wel zes meter lijkt. „Het liet zien dat vlees eerst verf moet worden, wil het triomferen”, denk hij, in zijn triomfdagen als New Yorkse criticus.

Maar daar komt hij op terug in de sleutelscène van het boek, een envoi, een snijdende, bittere woordenstroom, als een gebed, gericht aan zijn zus. Leendert bevindt zich op een dieptepunt: hij vertrekt bij het sterfbed van zijn vriend met het plotse besef dat diens dodelijke ziekte een besmettelijke ziekte is. Aan die nieuwe ziekte, „een bizarre lettercombinatie” die op dat moment nog een homoziekte lijkt te zijn, kan hij ook lijden. De liefde waaraan hij zich vastklampte, de kunst die hem bekoorde: niets beschermt hem tegen de vroege dood die hem te wachten staat. Hij zakt in elkaar bij de deur. Bang en wanhopig slaat hij om zich heen.

Scène uit Mystiek Lichaam van Toneelschuur Producties.

‘Toren van vlees’

Berustend in zijn lot echoot hij Magda’s woorden en bespot zijn leven. Zij verweet mannen al „baarmoedernijd” en een „cultuur van dode dingen”, en voorspelde hem dat hij eenzaam zou sterven. Hij geeft haar gelijk. Door haar zwangerschap, door zich voort te planten, is haar buik „wieg van de geschiedenis”. Zij is die „toren van vlees”, die geen verf hoeft te worden om te triomferen.

Hij legt uit dat hij er niet voor voelde „een arbeider te werden in het rijk van de vrouw”, dat hij „de mannelijke waanwereld” ontdekt „waar wetenschap, handel, kunst en meer van dat soort schimmigs wordt bedreven.” Baarmoedernijd: „Met verbeten geknutsel en vernuft proberen die mannen na te doen wat de vrouw en de natuur vanzelf klaarspelen.”

Na „twintig jaar in een gloed van geilheid” te hebben geleefd, voelt hij zich leeg. „Seks zonder voortplanting, al is het maar de angst ervoor, wordt een dwangneurose. Om van de fysica der lustbevrediging iets duurzaam opwindends te maken moet er een beetje metafysica bij. Mannen en vrouwen hebben samen het verbond van God met zijn volk. Daarvan kon ik geen deelgenoot zijn. Ik verzon zelf maar wat, een krakkemikkige doe-het-zelf-metafysica.”

Het brengt hem tot verreikende conclusies: „De homoseksualiteit, die buiten de geschiedenis staat en geen eigen vormen heeft, is tot imiteren en overdrijven gedoemd.” En ook: „De homo schmiert, omdat hij nergens bestaat, behalve in het oog van de geschiedenismakende hetero. Wat in de heterowereld gebeurt als tragedie, herhaalt zich in de homowereld als klucht. De liefde daar is trouw aan de vorm van de rechtgeaarde liefde en verraderlijk naar de inhoud. De liefde is parodie.”

Het is een vijandige, nihilistische beschouwing van homoseksualiteit. En dan volgt nog kritiek op hetero’s die zo graag de seksverslaving van homo’s imiteren en kritiek op vrouwen, de „heerseressen” die zich kennelijk zo liederlijk vervelen in hun paleis dat ze ook wel eens slaaf willen zijn. „Het matriarchaat is beurs van de feministische molm, het bezwijkt onder zijn eigen weelde.”

Als Kellendonk de psychische en sociale mechanismen voor blinde haat wilde blootleggen dan doet hij dat in dit envoi, waarin doodsangst en een gevoel van overbodigheid zijn personage tegen alles en zichzelf te keer laten gaan. Al blijkt de overgave van Leendert tijdelijk. Eenmaal weer op de been hervindt hij zich, wordt betoverd door een nieuwe jongen en heeft weer seks. Het envoi is een momentopname, geen gestold dictaat.

Typerend voor de roman is hoe venijnig-geestig die tirade af en toe ook is. Leenderts lof aan zijn zus gaat gepaard met expliciete beledigingen: „Ik zal worden vergeten, maar jij malle bep die je benen niet op slot kunt houden, zult voortleven in je kinderen. […] Gezegend zij het vlees, dat trotsen van harten uiteenslaat. […] Dat de steen uitholt, niet door zijn kracht, maar door er generaties overheen te sloffen.” Leendert geeft zich over, maar bepaald niet onvoorwaardelijk.

Het idee dat mannen en vrouwen „samen het verbond van God met zijn volk” hebben, is waar de titel van het boek naar verwijst. Mystiek Lichaam is ook een zoektocht naar een betekenisgevende gemeenschap. Naar verbinding, zouden we nu zeggen. Het mystieke lichaam is in de katholieke leer het idee van harmonisch samenkomen van God en zijn gelovigen. Maar de zoektocht naar verbondenheid faalt opzichtig. Aan het einde is het weer ieder voor zich: vader en zoon ruziën, de dochter vertrekt.

Scène uit Mystiek Lichaam van Toneelschuur Producties.

Toch seks, willens en wetens

Het is de dood die overwint. Leendert denkt besmet te zijn, en heeft toch seks, willens en wetens, met het risico de ander ziek te maken. Tegenover de dynastie van het leven van zijn zus roept hij triomfantelijk een dynastie van de dood uit. Tegen het mogelijk virus in de jongen met wie hij seks had, zegt hij, in gedachten: „Gaat heen en vermenigvuldigt u”, vrij naar de opdracht van God aan Adam en Eva in Genesis. „Als ik geen engel kan zijn, dan ben ik maar een duivel”, constateert hij laconiek. In de laatste zin eindigt hij met duivelse, moorddadige intenties, als ziekteverspreider: „Tot mijn vlees bruidswit is zal ik je werk doen, in de zekerheid dat ik door jou zal worden opgeheven, onsterfelijke dood.”

Het is een monumentale zin als afronding van een monumentale roman. Een toneelbewerking moet wel kiezen, voor een simpelere taal, voor een eenvoudigere opzet. Dat heeft Verheijden gedaan, lijkt het, bij lezing van zijn script. De kluchtige scènes bieden gelegenheid om de personages met elkaar in gesprek te laten gaan. Het verhaal wordt er minder dubbelzinnig en realistischer van, al ogen de dialogen op het eerste gezicht niet helemaal naturel.

Dat hoeft misschien ook niet. En bovendien: dat is aan de acteurs. Een script is geen voorstelling en sowieso een matig voorspeller van de waarde van een theaterstuk. Maar dat lange monologen in dit script niet aan de orde zijn, lijkt op voorhand een winstpunt. Geen ellenlang envoi in deze theaterbewerking, zoals in een eerdere bewerking door Het Nationale Theater, in 1996. Wie zich aan die woordenrijkdom wil laven, moet maar gewoon dit prachtige, schurende boek lezen. Dat schreef Kellendonk ook in een brief aan een mopperende criticus: „Ik wou dat men eens echt ging lezen!”

Mystiek Lichaam, door Toneelschuur Producties, regie Koen Verheijden. Naar de roman van Frans Kellendonk. Première 8 oktober, Schuur, Haarlem. Tournee t/m 22 november. Info: toneelschuurproducties.nl

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Theater

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next