Documentaire De indringende documentaire Killing Anna volgt de Syrische academica Annsar Shahhoud, die samen met de Nederlandse hoogleraar Ugur Ümit Üngör onderzoek doet naar oorlogsmisdaden in Syrië. Op Facebook nam ze een andere identiteit aan om contact te leggen met oorlogsmisdadigers van het Assad-regime en hun een bekentenis te ontlokken..
Still uit Killing Anna
In een nachtelijk videogesprek vertelt Amjad Youssef, een officier van de Syrische inlichtingendienst, hoe hij te werk ging tijdens de burgeroorlog. „In mijn functieomschrijving stond niets over vechten, oorlog, tanks en bommen. Maar dat was mijn werk.” Youssef denkt dat hij videobelt met Anna, een Syrische student die in het buitenland woont en een scriptie schrijft over de door haar geliefde Syrische strijdkrachten. Maar in werkelijkheid is Anna de schuilnaam van Annsar Shahhoud, een Syrische academica die vanuit Nederland onderzoek doet naar oorlogsmisdaden tijdens de oorlog in Syrië.
Anna houdt het gesprek niet oppervlakkig, maar vraagt Youssef naar zijn persoonlijke leven. Waarom wil je dat weten, vraagt hij achterdochtig. Ze zegt dat ze hem beter wil leren kennen. Hij kijkt gepijnigd, alsof zijn herinneringen oude wonden openrijten. Dan lucht hij zijn hart. „Mijn broer is in het begin van de oorlog, rond 2013, als martelaar gestorven. Eerlijk gezegd heb ik wraak genomen. Ik heb veel mensen vermoord, ik weet niet eens hoeveel. Veel.”
Dit is een scène uit de documentaire Killing Anna, die afgelopen zondag werd uitgezonden op NPO 2 en is terug te zien op NPO Start. De film van regisseur Sam Benstead volgt Shahhoud en Ugur Ümit Üngör, hoogleraar Holocaust- en Genocidestudies van de Universiteit van Amsterdam, tijdens hun onderzoek naar oorlogsmisdaden in Syrië. In 2019 kregen ze van een vriend in Frankrijk een video in handen waarop te zien is hoe 288 burgers geëxecuteerd worden in de wijk Tadamon in de hoofdstad Damascus. Ze gingen op zoek naar de daders.
De film toont hoe Shahhoud als Anna via Facebook contact weet te leggen met Syrische officieren van de inlichtingendienst. Daarbij gebruikt ze haar eigen trauma om in de huid van Anna te kruipen, een band op te bouwen met de beulen van het regime, en ze een bekentenis te ontlokken. Aan het einde van de film wordt Anna symbolisch ten grave gedragen, ten behoeve van Shahhouds traumaverwerking. „Het maken van de film duurde lang, omdat het voor mij moeilijk was om erover te praten en niet overweldigd te worden door emoties, zoals woede en verdriet. De filmmakers volgden mijn genezingsproces.”
Shahhoud: „Als iemand die is geboren en getogen in Syrië heb ik om veel redenen trauma’s opgelopen. Ik ontwikkelde een psychologische conditie die dissociatieve stoornis wordt genoemd. Dat houdt in dat je je als het ware ‘opsplitst’ in verschillende persoonlijkheden om traumatische herinneringen te vergeten, om door te kunnen gaan en te kunnen overleven. Je krijgt ook last van emotionele gevoelloosheid. Mijn psychologen in Nederland hebben me geleerd hoe ik kan herkennen dat ik dissocieer. En toen ik dat eenmaal onder de knie had, gebruikte ik dat om het personage Anna te creëren.”
Shahhoud: „Empathie is een van de krachtigste eigenschappen van de mens. Als we iets meer empathie zouden hebben voor elkaar, zou er misschien iets minder geweld zijn. Bovendien is het cruciaal voor het werk van een onderzoeker. Het geeft je de mogelijkheid verder te kijken dan je eigen vooroordelen. Als Anna zag ik Youssef als mens. Hij legt uit hoe hij een dader is geworden, zonder dat hij zelf goed begrijpt waarom. Hij heeft gedood, maar hij heeft ook zijn broer verloren. Als mens voelde hij zich een slachtoffer. Dus als hij huilde, dan huilde ik met hem mee. Dat hij dader is sluit niet uit dat hij menselijke gevoelens heeft en dat hem leed is aangedaan.”
Üngör: „Nadat het stuk in The Guardian was gepubliceerd, werden wij door verschillende tv-makers, waaronder van de Arabische televisie, benaderd met het aanbod om een documentaire te maken. Maar dat hebben we afgehouden. We hadden niet meer te melden dan in het stuk stond. En we wilden onszelf als onderzoekers niet op de voorgrond plaatsen. Maar toen wij een aanbod kregen van KEO-films om een film te maken, hebben wij wel ingestemd. Want ze hadden eerder goede documentaires gemaakt, waaronder één over Syrië, en we zijn pas akkoord gegaan nadat ze hadden beloofd dat de film zo zouden worden als wij wilden.”
Shahhoud: „Wij willen onszelf niet als helden laten zien. Maar wij vonden het wel belangrijk om ons onderzoek uit te leggen aan de wereld en aan Syriërs. We willen dat het onderzoek meer mensen bereikt en dat mensen weten wat er is gebeurd in Tadamon. De documentaire heeft een debat aangezwengeld in de Syrische gemeenschap, terwijl Syriërs eerder nog bang waren om zulke dingen te bespreken. Hopelijk kan hij ook de muur van stilte tussen de verschillende partijen in Syrië doorbreken. Daarbij heb ik veel berichten gekregen van Syrische vrouwen. Mijn werk heeft ze gesterkt in de overtuiging dat zij iets voor hun land kunnen betekenen.”
Still uit Killing Anna
Shahhoud: „Ik vind dat mensen hun mening mogen delen – ook kritiek is meer dan welkom. Maar juridisch en ethisch hadden we niet het recht om de video’s openbaar te maken. Op die manier wilden we de integriteit van de slachtoffers beschermen, en voorkomen dat eventuele daders die in Europa verblijven de kans krijgen om terug te keren naar Syrië of te vluchten. Ook hebben wij een aangifteplicht in Nederland, dus we moeten bewijsmateriaal van zulke ernstige misdaden met de politie delen. Dat hebben we ook gedaan met de video’s uit Syrië.”
Üngör: ”En een belangrijke vraag hierbij [met het oog op de nabestaanden] is: hebben wij het recht om aan de wereld te tonen hoe je vader of geliefde is geëxecuteerd? Hebben wij het recht om zijn laatste momenten te tonen – zodat hij voor altijd slachtoffer zal zijn? Als de beelden eenmaal op internet staan, kun je ze nooit meer verwijderen.”
Üngör: „Stephen Rapp, een voormalige Amerikaanse aanklager en diplomaat die betrokken was bij tal van internationale onderzoeken naar oorlogsmisdaden, zei ooit dat het bewijs tegen het Assad-regime veel sterker is dan het bewijs tegen de nazi’s tijdens Neurenberg. Enkele Syrische ngo’s hebben al het materiaal van YouTube, Facebook, Twitter enzovoort verzameld. Een van de mensen die dat deed, Hadi Al-Khatib uit Berlijn, leidde de ngo Syrian Archive. Hij merkte op dat als je alle video’s uit Syrië achter elkaar zou zetten, de totale duur drie keer zo lang zou zijn als het conflict zelf. Het is voor een mens onmogelijk om alles te bekijken. Dat moet dus door AI gebeuren. En AI is goed, maar het herkent het Alawitische dialect uit Latakia niet.”
Shahhoud: „Tadamon is natuurlijk maar een van de vele voorbeelden van slachtingen en massamoord in Syrië. Dit stelde ons voor de vraag: is ons doel enkel individuen te vervolgen, of willen we de mechanismen van geweld blootleggen – niet alleen in Tadamon, maar in heel Syrië? En niet alleen het geweld dat werd gebruikt door het regime, maar ook door de oppositie. Hiervoor is een serieus en transparant proces [van gerechtigheid] nodig, en een sociale en juridische samenwerking tussen de regering, het maatschappelijk middenveld en de samenleving.”
Shahhoud: „Dat is een omstreden vraag. Het is duidelijk dat de regering niet echt geïnteresseerd is in gerechtigheid. Wij zien dat veel daders van de slachtingen door het Assad-regime nu voor de nieuwe regering werken. Verder heeft de regering nog geen instantie of archief in het leven geroepen om al het bewijsmateriaal te verzamelen dat ons kan helpen met onderzoek naar de misdaden die zijn gepleegd tijdens de oorlog. Vanuit mijn oogpunt is alles wat tot nu toe in Syrië is gedaan niet genoeg. Dit is niet waar Syriërs veertien jaar voor hebben gevochten.”
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie