Home

Rapper en schrijver Massih Hutak: ‘Ik heb heel lang gezegd: ik kan bij vrienden terecht, ik wandel, ik boks – ik heb geen therapie nodig’

Rapper en schrijver Massih Hutak debuteerde vorige maand als romanschrijver en werkt aan een hiphop-musical die zich afspeelt in ‘Allochtonië’. „Onze generatie hoeft nergens dankbaar voor te zijn. Wij leven met de chest vooruit.”

Als eerste laat Massih Hutak op zijn telefoon een filmpje zien op Instagram. Het is een geacteerd gesprekje tussen hem en Zahir, zijn zoon van zeven. Ze zitten samen voorin een geparkeerde vintage Mercedes. Allebei dragen ze hetzelfde oranje trainingsjasje en een pet, bij Zahir kringelen zijn donkere krullen eronderuit.

Zahir: „Papa, wat betekent ‘allochtoon’ eigenlijk?”

Massih: „Dat is iets wat witte mensen hebben bedacht om jou en mij een slecht gevoel te geven over onszelf.”

Zahir: „Dus… is het een scheldwoord?”

Massih: „Nee, het is geen scheldwoord. Niet als je mensen niet de macht geeft om jou een slecht gevoel te geven en te raken met hun woorden. Er komt een punt in je leven dat je zelf bepaalt wie je bent en waar je voor staat en dat niet aan anderen overlaat.”

Zahir knikt. „Dus, ben ik een allochtoon?”

Massih: „Jij bent hier geboren, jouw mama is hier geboren, maar ik ben hier niet geboren. Dus ja, jij bent net als ik een allochtoon.”

Zahir: „Ik ben heel blij om een allochtoon te zijn.”

Massih: „Ik ook, gappie. Ik ook.”

Massih Hutak (34) grijnst trots. „Op de dag dat we dit opnamen was hij al naar school geweest en naar zwemles. Hij was echt moe. Maar hij deed het heel graag, en hij deed het supergoed.” Het filmpje wordt vertoond tijdens zijn hiphop-musical: Welkom in Allochtonië. Het is online al te zien als promotie voor de show. Volgende maand zijn de try-outs, volgend jaar hoopt hij de theaters in te gaan.

CV

Massih Hutak (1992) werd geboren in Afghanistan, vluchtte met zijn ouders en broers naar Pakistan toen hij twee was, en kwam op zijn zesde naar Nederland. Hij groeide op in Amsterdam-Noord, ging zes jaar naar het vwo en haalde uiteindelijk zijn havo-diploma. Tijdens het eerste jaar van de lerarenopleiding ging hij direct aan de slag als leraar op een middelbare school. Na vier jaar verliet hij het onderwijs om zich volledig te richten op zijn muziek (hiphop) en schrijfwerk.

In 2017 begon Massih Hutak als columnist van Het Parool, later kreeg hij ook een column op Radio 1 bij De Nieuws BV. In 2019 was hij een van de oprichters van Verdedig Noord, een bewonersorganisatie die zich verzet tegen gentrificatie. In 2020 werd zijn boek over dit onderwerp gepubliceerd: Jij hebt ons niet ontdekt, we waren hier altijd al. Vorige maand kwam zijn debuutroman Voor Issa uit. Op 27 en 28 november zijn de try-outs van zijn Hiphop-musical Welkom in Allochtonië.

Best een stap, om je kind zo in de openbaarheid te brengen.

„Ja, dat is kwetsbaar, om hem online te zetten met gezicht en naam. Met mijn vrouw Shariffa, die meewerkt aan de musical, heb ik het er vaak over gehad. Ik ben heel vaak het mikpunt van racisme en haat met mijn werk. En dat is heftig, en gewelddadig.” Hij is rapper en schrijver – zijn debuutroman Voor Issa kwam vorig maand uit. Hij sprak zich geregeld over allerlei zaken uit in columns in Het Parool en op Radio 1bij De Nieuws BV.

„Mijn vrouw en ik hebben een belangrijke afspraak: we maken geen keuzes op basis van angst. Onze angsten en twijfels over dit filmpje hebben we besproken, en toen hebben we besloten om het te doen.” Thuis praten ze met hun kinderen uitgebreid over dit soort onderwerpen, vertelt Massih. „Hoe eerder je het hebt over bijvoorbeeld discriminatie, hoe beter, want het is nodig. Omdat op scholen en in de media nog steeds niet het volledige verhaal wordt verteld.”

Een variant op het gefilmde gesprekje heeft hij met zijn zoon echt gehad. „Toen had ik nog niet zulke kant-en-klare antwoorden. Maar Zahir had het woord ‘allochtoon’ thuis opgepikt. Shariffa en ik hebben het veel over de show, dus hij vroeg ernaar.” De term is tien jaar geleden door overheids- en nieuwsorganisaties geleidelijk vervangen door ‘persoon met een migratieachtergrond’. „Ik hoop dat ‘allochtoon’ gaat herleven, maar dan met een nieuwe lading. Als geuzennaam.”

Massih Hutak werd geboren in Herat, de tweede stad van Afghanistan, en kwam op zijn zesde met zijn vader en twee broers naar Nederland. Zijn moeder was overleden aan kanker toen Massih vier was. Zijn vader voedde hem en zijn broers grotendeels alleen op, als tiener kreeg Massih een stiefmoeder. In Nederland verbleef het gezin eerst in azc’s door het hele land, daarna gingen ze in Amsterdam-Osdorp wonen, en een jaar later in Amsterdam-Noord. Dat werd zijn thuis, hij woont er nog steeds.

Meer nog dan Nederlander, Afghaan, moslim of Amsterdammer voelt Massih zich een ‘Noorderling‘ en hij verzet zich al jaren tegen de gentrificatie, waardoor wonen in dit stadsdeel onbetaalbaar wordt voor mensen die er al lang wonen. Zo is hij medeoprichter van bewonersorganisatie Verdedig Noord en schreef hij in 2020 een non-fictieboek over dit onderwerp: Je hebt ons niet ontdekt, we waren hier altijd al.

Je musical gaat over Allochtonië, wat is dat?

„Allochtonië is een land in een land, waar witte mensen niet de norm zijn. Ze zijn er wel, natuurlijk, maar ze zijn niet de norm, net als in de wereld. Allochtonië is… je moet uitkijken dat je je werk niet te veel uitlegt natuurlijk, maar ik wil het wel graag vertellen. In de bijna dertig jaar dat ik in Nederland woon, heb ik mensen die op mij lijken of in mijn soort wijken wonen alleen maar geproblematiseerd zien worden. Gecriminaliseerd. En de goedbedoelende mensen die het tegengeluid laten horen, hoezeer ik dat ook waardeer, spreken vaak voor een gemeenschap waar ze zelf geen onderdeel van zijn. Maar wij kunnen heel goed voor onszelf opkomen. Onze generatie hoeft nergens dankbaar voor te zijn. Wij leven met de chest vooruit.”

In wijken zoals die van hem – de Vogelbuurt, met veel sociale huur – kijken mensen naar elkaar om, zegt hij. „Het is niet perfect of ideaal, maar we zijn op elkaar aangewezen. En op een gegeven moment kies je dan ook voor elkaar. Onze buurman, die geen Afghaans bloed heeft, noem ik ‘vader’, mijn zoons noemen hem ‘opa’.” Toen corona uitbrak, vertelt Massih, was er in het buurthuis binnen de kortste keren een soort schooltje opgetuigd: iemand regelde gratis laptops, er was goed internet, zodat kinderen uit de wijk daar onderwijs konden volgen. Massih ging er ook heen met zijn oudste zoon, toen nog een peuter, zodat die meer ruimte had om te spelen. Buurkinderen van wie de ouders moesten werken, nam hij mee. „Ik was een soort halve gymdocent.”

Met ‘nieuwe’ bewoners, die in zijn wijk meestal geen huizen huren maar kopen, schuurt het soms. „Als je onze wijk binnenrijdt, is nu het eerste wat je ziet een soort verkeersbord dat er WhatsApp-buurtpreventie is. Dat is een appgroep met buurtbewoners die het pleintje in de gaten houden. En als daar ’s avonds drie jongens met fatbikes en een pet en een baard en een zwart vest zitten te chillen, dan gaan ze naar elkaar appen. En ze hebben natuurlijk een lijntje met de wijkagent. Ze criminaliseren iets waarvan ze geen idee hebben wat er gebeurt.”

Zit jij ook in die appgroep?

„Absoluut niet.” Hij lacht hard. „Ik zit in een andere groep, de groep die deze bewoners weer surveilleert. De Karens. Die surveilleren wij.”

En waar letten jullie op?

„Karen-gedrag. Je bakfiets als vanzelfsprekend overdwars ergens neerzetten en je niet bewust zijn van hoeveel ruimte je inneemt, letterlijk.” Dan serieuzer: „We waarschuwen elkaar voor wie je moet oppassen. Bijvoorbeeld: we gaan binnenkort een brief krijgen over die drie jongens op dat pleintje. Wij zorgen dat we dat van tevoren weten – er zitten natuurlijk ook mensen uit onze groep in die buurtpreventie-app – en dat wij niet meegaan in dat frame. Mijn vrouw en ik spreken onze buren in de speeltuin ook geregeld aan op gedrag dat we zien, of taal die wordt gebruikt.”

Zoals?

„Als het gaat over renovaties in onze wijk merken wij de vanzelfsprekendheid op waarmee onze buren schadelijke taal gebruiken. ‘Achterstandswijk’, zeggen ze. Ja, het klopt dat zulke wijken beleidsmatig zijn achtergesteld: huurwoningen en publieke ruimte zijn niet onderhouden, er is te weinig gedaan aan veiligheid. Zo’n wijk is kwetsbaar gemáákt, maar de mensen in die wijk hebben geen achterstand. Het is stigmatiserend. Wat ik ook vaak hoor: ‘De wijk gaat er wel op vooruit hè, minder auto’s’ – dat vinden zij het goede vooruit. Terwijl: wie ben jij om ons te vertellen dat een fiets beter is dan een auto? Wie ben jij om ons jouw levensstijl op te leggen?”

Staat de auto voor een levensstijl?

„Ja. In Noord hebben we een hele stevige autocultuur. Brede wegen, geen trams, tot voor kort gratis parkeren. Ik zeg dan: ik begrijp heel goed dat mensen zich met auto’s voortbewegen. En ik vind minder parkeerplekken niet per se een goed ding, of betaald parkeren.”

Zeg je dat dan net zo vriendelijk als je het nu tegen mij zegt?

„Vind je dit vriendelijk? Ik ben beleefd. Zo zeg ik het ook. Het is niet een situatie waarin ik heel erg in mijn emoties schiet. Ik ben dan gewoon in de speeltuin met mijn zoons, weet je wel.”

De hoofdpersoon in je roman moet van zijn vader leven volgens de ‘vijf zuilen van integratie’, zoals ‘val niet op’ en ‘lach altijd breed’. Heb jij dat zelf thuis zo geleerd?

„Ja, dat is een-op-een uit mijn leven. Ik heb daar ook echt in geloofd, ik heb geprobeerd te integreren – ik ben oprecht geïnteresseerd in de Hollandse cultuur, ik ben dol op Nederlandse musicals. Dat blijft. Maar ik heb ook geleerd dat integratie neerkomt op assimilatie. Het is eenrichtingsverkeer. Mensen willen je culturele bagage niet aan je horen of ruiken – of zien aan je manier van bidden. In Nederland, zeker in Amsterdam, zeggen mensen vaak: we zijn ‘tolerant’. Alleen dat betekent eigenlijk: ik duld je, maar ik heb je hier liever niet. Inmiddels voel ik me niet meer verplicht om me te verantwoorden, om me aan te passen. Ik ben volwassen geworden.”

Je roman, gebaseerd op je levensverhaal, gaat ook over volwassen worden. Je hebt er veertien jaar lang op en af aan gewerkt. Waarom had het die tijd nodig?

„Het was lang te confronterend, ik zat midden in de rauwe emoties. Er was tijd nodig om te rijpen als schrijver, als man.”

‘Thuis spraken we over alles, behalve over gevoelens’, zegt de hoofdpersoon. Deden jullie dat thuis ook niet?  

„Niet veel. Dat was de realiteit van een alleenstaande vader met drie zoons. Mijn vader was een ingenieur wiens diploma hier niet werd erkend, hij moest diensten draaien als taxichauffeur. Ik heb het toentertijd wel gevoeld als een gemis. Maar ik had ook door: hij doet meer dan zijn best. De gesprekken die we thuis hadden, gingen vaak over het nieuws. Of het waren eigenlijk niet zozeer gesprekken. Er stond een talkshow op, mijn vader analyseerde wat er gezegd werd. Soms zei hij: dit wordt morgen de kop in de krant. En hij had altijd gelijk. We hadden wel een schriftje, mijn broers en ik. Schrijf hierin op wat er vandaag is gebeurd, had mijn vader gezegd, dan lees ik het als ik thuiskom. Ik deed dat trouw. Ik schreef dan een heel verhaal over dat ik een negen had gehaald voor een boekverslag.”

Zei hij daar wat over?

„Nee, nee, het was ter kennisgeving. Maar soms verraste hij me. Ik weet nog dat ik een keer thuiskwam met een tien voor Nederlands. En ons was geleerd: voor goed presteren op school krijg je geen beloning, dat hoort zo. Maar ik had het lef om te zeggen: ‘Papa, mijn klasgenootjes krijgen een beloning, geld of speelgoed’. Hij zei: ‘Toen je een negen had gehaald, was je ook heel trots op jezelf en vroeg je ook niet om een beloning’. Dus ik werd wel gezien, op zijn manier.”

De hoofdpersoon in het boek lijdt aan angsten en depressieve gevoelens. Als columnist in Het Parool schreef je jaren geleden ook al over mentale gezondheid. Dat onderwerp moest „uit de taboesfeer”, schreef je. Wat is het taboe?

„Als man aangeven dat het niet goed gaat. Want als het goed gaat, is het je eigen verdienste, maar als het slecht gaat is het je eigen schuld. En ik heb zelf ook lang geen professionele hulp gezocht omdat ik me afvroeg: gaat iemand mij wel genoeg begrijpen? Omdat ik niet wit ben, en een psycholoog vaak wel.”

Je bent wel naar de huisarts gegaan.

„Ja. Ik heb van tevoren heel veel versies van dat gesprek met mezelf gevoerd. Wat als ze me niet serieus neemt? Ik wist: ik mag niet emotioneel worden in het gesprek, ik mag niet scherp worden, ik moet wel blijven glimlachen.” Waar hij bang voor was, gebeurde. „Ik zei: u hoort mij niet, ik heb echt nú hulp nodig. Ik snap dat er wachtlijsten zijn, maar u moet me doorverwijzen. Toen was het: meneer Hutak, u bent ongeduldig, u blijft maar – en dan komt-ie – agressief pushen. Terwijl ik zo mijn best zit te doen om dat níét te zijn.”

Want als jij het gevoel hebt dat je gewoon voor jezelf opkomt of een punt maakt, wordt dat door de ander ervaren als…

„Ongeduldig, boos, agressief. Uiteindelijk werd ik toch doorverwezen. Ik heb geluk gehad, ik ben goed geholpen. Eerst door een fijne psycholoog en toen zij stopte door iemand van het Expertisecentrum Transculturele Therapie, mede opgericht door psychiater Glenn Helberg. Ik heb heel lang gezegd: ik heb geen therapie nodig – ik kan bij vrienden terecht, ik wandel, ik boks. Maar professionele hulp is echt iets anders.”

Waarom heb je destijds toch hulp gezocht?

„Ja, het lijkt nu alsof het heel vanzelfsprekend was. Dat was het niet.” Hij twijfelt even, zoekt naar woorden. „Dit was… toen ik heel concreet ging nadenken over hoe ik er een eind aan zou maken. Ik denk dat dat het was. Ik dacht: oké, nu moet ik echt iets doen. Daar ging wel een sessie met mezelf aan vooraf. Waarin ik bepaalde dat dit leven het toch waard is om te blijven leven.”

Wat maakte dat het dat waard was?

„Heel veel. Ikzelf om te beginnen. En mijn vrouw, mijn vader, familie.”

Hadden jullie al kinderen?

„Nou, we waren onze oudste kwijtgeraakt. Onze dochter. Nadat we haar hadden verloren heb ik veel destructieve gedachten gehad.”

Je hebt je boek aan haar opgedragen, aan Zohra.

„Zohra, ja. Tijdens de twintigwekenecho werd duidelijk dat ze de helft van haar hart miste. Ons is toen verteld dat ze in het beste geval een heel pijnlijk, onzeker leven zou leiden, met heel veel operaties en ingrepen.”

Massih kijkt op zijn telefoon, controleert de datum. „Vandaag is het negen jaar geleden. Negen jaar geleden is ze geboren, en overleden.” Hij veegt tranen uit zijn ogen. „Ik vind het mooi dat je haar naam uitspreekt. Dat is erkenning: ze heeft bestaan. Mensen bedoelen het niet slecht, maar over Zahir wordt vaak gezegd: hij is de eerste. En over Zayn, zijn broertje, dat hij de tweede is. En dan denk ik: nee, hij is de derde. Dat corrigeren we wel, we proberen dat liefdevol en relaxed te doen.”

Zij heeft ouders van jullie gemaakt.

„Ja, precies. Onze jongens weten het ook: jullie hebben een zus, jullie hadden een zus. Ze heet Zohra en ze is met ons. De oudste heeft het altijd heel serieus genomen, hij vertelt vaak over haar aan anderen. Ook aan zijn broertje, die zich nog helemaal nergens van bewust is. ‘We hebben een zus, maar die is met oma in de hemel.’ Zowel in de Afghaanse als in de Surinaamse cultuur [zijn vrouw heeft Surinaamse wortels] zijn vlinders heel betekenisvol. Vooral witte. Dus als we die zien, komt Zahir naar ons toe: ‘Papa, kijk, een witte vlinder. U weet wie dat is.’”

Hij zegt ‘u’?

„Ja, ja. Zeker, dat moet. En spreken met twee woorden. We zijn vriendelijk met elkaar, maar ik ben wel zijn vader.”

Hoor je dat vaker in je omgeving, kinderen die u zeggen tegen hun ouders?

Hij glimlacht. „In Allochtonië wel.”

Je boek gaat ook over wat je krijgt van de generatie boven je, en wat je zelf doorgeeft. Wat zou jij willen doorgeven aan je kinderen?

„Grote vraag… Ik denk dan toch veiligheid. Mijn vader was echt het symbool van veiligheid in onze jeugd. Tijdens onze vlucht, in de azc’s. En ook al zei hij: ik weet niet of het goed komt, we hebben het niet best, hij wás er. Maar op een gegeven moment zag ik wel: hij is niet die superman die ik dacht dat hij was. Hij is een mens, hij is imperfect. Ik hoop dat mijn boys dat nu al voelen: papa is geen superman. Ook al wil hij alles voor ons doen, hij maakt ook fouten. Ik wil niet later als een standbeeld van mijn voetstuk vallen. En ik wil ook niet dat ze denken dat ze zelf een soort superman moeten worden.”

Hoe probeer je daarvoor te zorgen?

„Ik benoem het als ik fouten maak, ik bespreek dingen die ik moeilijk vind. Als Zahir thuiskomt nemen we altijd de dag door. Hij vertelde laatst: we gingen voetballen en ik speel normaal altijd met dat vriendje, maar vandaag wilde hij in het andere team. Dat is zijn probleem van de dag – wat een goed probleem om te hebben. Dat was niet mijn probleem op mijn zevende. Maar ik bagatelliseer het niet. We kunnen het overal over hebben.

„Ik wist al jong dat ik kon vliegen, maar ik wist niet of ik mocht vallen. Dat gevoel is bij mij nog steeds best sterk – ik mag geen fouten maken. Ik gun mijn kinderen iets anders. Ga vliegen, ga vallen, we got you. En niet alleen wij, deze hele gemeenschap. Dit is jullie wereld.”

Praten over zelfdoding kan 24/7 anoniem en gratis via 0800-0113, de landelijke hulplijn van 113 Zelfmoordpreventie, of via chat op www.113.nl.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Discriminatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next