De Zitting J. sloeg z’n partner zo hard dat ze een „bijna alienachtige bult” op haar gezicht kreeg. Zijn advocaat wil een voorwaardelijke straf, maar dat ziet de officier niet zitten. „Er moet ook afgerekend worden.”
De ‘trigger’ van de mishandeling wil de rechter te weten komen. Maar hoe hij de vraag ook formuleert, van verdachte J. krijgt hij steeds maar weer variaties op dezelfde verklaring. En die wijzen allemaal naar Johnny Walker. „Ik heb veel te veel gedronken en daarom is het uit de hand gelopen”, zegt J. „Dit is niet hoe ik ben, ik had te veel alcohol op”, antwoordt hij. „Ik denk dat ik te diep in het glaasje heb gekeken.”
Met een halve fles whisky achter de kiezen sloeg de 30-jarige J. zijn vriendin afgelopen april vol in het gezicht. Het voorval vond plaats in hun gezamenlijke woning in Rotterdam. Volgens de officier van justitie haalde de man zo hard uit dat er „een bijna alienachtige bult aan de zijkant van mevrouws gezicht” ontstond.
Een half jaar na het voorval staat J. terecht voor de politierechter in Dordrecht. Hij vertelt dat hij die zaterdag in april al vroeg in de middag begon met drinken. „Dat doe ik eigenlijk nooit.”
Dat hij zijn vriendin sloeg, kan hij zich niet herinneren. De foto’s die hij na zijn arrestatie te zien kreeg wel. „Dat zag er heel erg uit”, vindt J. Hij noemt het „heel heftig wat er is gebeurd” en zegt gestopt te zijn met het drinken van sterke drank. „Ik drink nu af ten toe een glaasje wijn, als de gelegenheid er naar is. Ik wil dit niet nog een keer meemaken.”
J. werkt als technicus bij een autobedrijf. Hij heeft highlights in zijn donkere haar, draagt een zwart overhemd en praat eloquent. Als de rechter vraagt of hij – zoals zijn vriendin bij de politie verklaarde – wel eens eerder een woedeaanval kreeg en fysiek geweld gebruikte, ontkent hij dat met klem. „We hebben wel eens lopen duwen en trekken, maar dit is de eerste keer dat het uit de hand is gelopen.”
Hij vertelt dat zijn partner en hij inmiddels weer samenwonen. „Het heeft even geduurd maar we zijn langzaam herstellende.”
De officier van justitie wijst op de verzwarende omstandigheden rond het misdrijf. De mishandeling vond namelijk „in de huiselijk sfeer” plaats. „Daar moet je je veilig en geborgen kunnen voelen en zeker niet bang zijn dat je partner je hard gaat slaan.”
De strafvorderingsrichtlijnen van het OM schrijven bij dit delict tachtig uur taakstraf voor, vertelt ze. Maar, zegt de officier, „Ik weeg mee dat het goed met u gaat.” Ze benoemt dat J. ontzettend geschrokken is, de relatie hervat en hij belooft geen sterke drank meer te drinken. Vandaar dat ze niet tachtig maar zestig uur taakstraf eist.
Advocaat Melanie Schulpen benadrukt dat haar cliënt „geen actieve herinnering heeft” aan wat er is gebeurd. Ze wijst erop dat „sprake is van een eenmalig incident van een man met een blanco strafblad, vaste baan en relatie die is hersteld”. En daarom vraagt ze de politierechter om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Die dient dan ook als stok achter de deur. „Het doel is dat dit nooit meer mag gebeuren en dat doel deelt cliënt.”
Om haar punt kracht bij te zetten, haalt Schulpen twee uitspraken aan van het gerechtshof Amsterdam uit 2024 van „vergelijkbare zaken van partnergeweld door first offenders”. In die twee zaken volstond het gerechtshof met een voorwaardelijke taakstraf omdat er „geen meerwaarde” aan een onvoorwaardelijke straf zou zitten.
De officier van justitie ziet zo’n voorwaardelijke straf absoluut niet zitten. „Er moet ook afgerekend worden”, zegt ze. „Er is een ontzettend harde klap uitgedeeld en een geheel voorwaardelijke taakstraf is te licht.” Verwijzend naar de stok achter de deur die van een voorwaardelijke straf uit zou gaan volgens J.’s advocaat, zegt ze: „De stok kan ook zijn dat je terugdenkt aan het werken [tijdens de taakstraf].”
De politierechter doet direct mondeling uitspraak. Dat J. zijn partner sloeg acht hij wettig en overtuigend bewezen. „Daar hoef ik niet veel woorden aan vuil te maken.” Hij benadrukt de ernst van de zaak: met de mishandeling heeft J. inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn partner, nota bene in haar eigen huis, zonder enige aanleiding.
Voor J. spreekt wel dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn acties. Tegen die achtergrond vindt de rechter de strafeis van de officier „wat aan de stevige kant”. Maar om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen zoals J.’s advocaat wil, gaat de rechter te ver. „Ik ben het met de officier eens dat er wel afgerekend moet worden.”
J. krijgt een taakstraf van zestig uur opgelegd, waarvan twintig uur voorwaardelijk. Omdat J. een dag in voorlopige hechtenis doorbracht – en daarvoor twee uur aftrek krijgt- moet hij 38 uur gaan werken.
De rechter wijst J. erop dat hij – net zoals het Openbaar Ministerie – twee weken heeft om in hoger beroep te gaan, maar daar ook ter plekke afstand van kan doen. Dat besluit zowel J. als het OM, waardoor de straf definitief is.
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie