Theater In De Kopenhagen Trilogie over de Deense auteur Tove Ditlevsen, die in 1976 overleed aan een overdosis slaappillen, raas je van de ene herinnering naar de andere. De voorstelling onder regie van Eline Arbo is zo energiek en intens dat het aan het eind voelt alsof je Tove persoonlijk hebt gekend.
Scène uit De Kopenhagen Trilogie door ITA onder regie van Eline Arbo.
De Kopenhagen Trilogie begint met het afscheid. Bij binnenkomst kun je Tove Ditlevsen al in haar kist zien liggen, in het wit, omringd door een groepje rouwende mensen. Er is zwaarmoedige orgelmuziek, telkens hetzelfde deuntje. Wanneer dat wegsterft, neemt een van de rouwenden het woord en begint ze aan het type eulogie waarvan je denkt: laat ze voor mij alsjeblieft wat beters verzinnen, als ik er niet meer ben.
Door: ITA. Regie: Eline Arbo. Gezien: 20/10, ITA, Amsterdam. T/m 21/12. Info: ita.nl
„Tove Ditlevsen kón niet meer”, zegt de vrouw. Ze vertelt over de jeugd van Tove; hoe ze opgroeide in een arbeidersmilieu en met haar „lieflijke” en „eenvoudige” poëzie een groot publiek bereikte, maar uiteindelijk „de strijd verloor van depressies”. Tove was schrijver, zegt de vrouw. Maar ook echtgenote. En – „vooral” – moeder.
Klinkt daar nou geluid uit de kist? Het zal wel niet. De eulogie wordt hervat, maar dan is er tóch, onmiskenbaar, rumoer: Tove houdt het niet langer, dit is niet hoe ze het wilde. „Sjongejongejonge”, schreeuwt Tove. Ze had toch zélf al haar eigen eulogie geschreven. Deze klinkt nergens naar. „Hoe moeilijk kan het zijn?” En die foto, ah – waarom hebben ze nou juist díé foto uitgekozen? Moet ze dan álles zelf doen? En hoezó, „Tove Ditlevsen kón niet meer”? „Tove Ditlevsen wílde niet meer.”
Onder de regie van Eline Arbo is Tove Ditlevsen zelfs na haar dood recalcitrant, eigenzinnig en (soms letterlijk) springlevend. Maria Kraakman speelt de Deense auteur, die in 1976 overleed aan een overdosis slaappillen, zo energiek en intens dat het aan het eind van de voorstelling voelt alsof je Tove persoonlijk hebt gekend. Je leert haar kennen als grappig, slim, bot, gulzig, met veel talent en ook veel problemen: als volledig en complex mens.
Tussen 1967 en 1971 schreef Tove Ditlevsen drie memoires, die samen bekend zijn komen te staan als de Kopenhagen Trilogie: Kindertijd, Jeugd en Afhankelijkheid. In de theaterbewerking van Internationaal Theater Amsterdam wordt het publiek in drie uur tijd door alle drie die delen gegidst. Vooral in de eerste helft van de voorstelling raas je heel snel van de ene herinnering naar de andere: alle kleine momenten waarin Tove, als meisje, niet serieus wordt genomen of buiten de boot valt, en nog meer vastberaden raakt om dichter te worden. Niets brengt haar zo in extase als een mooie, goede, zelf geformuleerde zin.
Het is even wennen aan het hoge tempo, maar het past bij Toves kinderjaren: alles gáát ook heel hard, ze móét ook veel indrukken verwerken. Ze verhoudt zich tot een heleboel bijpersonages die veelal worden gespeeld als komische karikaturen. Met uitzondering van Kraakman neemt ieder castlid meerdere rollen op zich: June Yanez speelt bijvoorbeeld verschillende stoere vriendinnen van Tove, en Peter Bolhuis speelt zowel haar vader als haar eerste echtgenoot. Het is knap hoe vrijwel al die personages toch makkelijk van elkaar te onderscheiden blijven. Ondertussen verzorgt de cast ook nog zelf de muzikale begeleiding. Dat is een van de weinige keuzes die wisselend uitvallen: er zitten mooie nummers tussen, maar niet alles klinkt lekker.
De Kopenhagen Trilogie.
In de tweede helft vertraagt het tempo en wordt de sfeer duisterder. Opnieuw is dat wennen, opnieuw is het logisch: in dit deel van haar leven raakt Tove verslaafd aan pijnstillers. Eerder was schrijven een manier om alle indrukken van buiten te verwerken en enigszins op afstand te houden – nu neemt pijnstilling die laatste taak over. En als die indrukken niet meer binnenkomen, hoeft er ook niets meer te worden verwerkt. Tove schrijft amper nog, besef van tijd heeft ze niet. Haar kinderen zijn de enige personages over wie wordt gesproken, zonder dat ze daadwerkelijk op het toneel verschijnen. Misschien zegt dat genoeg.
„Ik wilde alles”, zegt Tove meer dan eens in De Kopenhagen Trilogie. Ze wilde schrijven, liefhebben, geliefd en beroemd zijn; ze wilde lezers en een man en een huis en een kind. Ze wilde erkenning, het gesprek van de dag zijn en ook met rust gelaten worden, niemand iets verschuldigd zijn – alles, álles tegelijk, zo graag dat ze het soms uitschreeuwt van frustratie, of innig danst met het rode poesiealbum waarin ze haar verlangens voor het eerst woorden gaf. Zo veel grote verlangens in één tenger mensenlijf.
Ze wilde heel intens leven. Ze wilde heel intens dood. Op 58-jarige leeftijd overleed ze aan een overdosis slaappillen.
Misschien is het theater de enige plek waarop al Toves wensen kunnen worden ingewilligd: hier kan ze avond aan avond leven, schrijven en sterven op het podium. Alsof ze bij elk afscheid wordt herboren, alles wil, en dan niets meer. En dan toch weer alles.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie