Nederlandse literatuur De nieuwe roman van Jaap Robben dwingt door de manier van vertellen tot onmiddellijke empathie – met arbeidsmigranten. Maar ook als alwetende lezer word je pijnlijk met je aannames geconfronteerd.
Als personage met een rol in ‘De laatste namen van Lukasz’ hoort het hondje er helemaal bij.
Kun je weten hoe het is in het hoofd van een ander? Nee, zei schrijfster Elizabeth Strout onlangs in een video van het Deense literatuurfestival Louisiana. Maar in één adem door ontkrachtte ze haar eigen antwoord ook weer.
„Ik zal nooit de dag vergeten, toen ik een jaar of tien of twaalf was, waarop ik begreep: ik zal het leven alleen maar door mijn eigen ogen zien. Dat geldt voor iedereen, maar ik ervoer het als een verwoestend besef dat ik nooit zou kunnen ervaren hoe het is om in het hoofd van iemand anders te zitten. Rond die tijd las ik een boek, ik weet niet meer welk, maar ik weet wel dat ik erbij dacht: oh, maar die gedachte heb ik ook weleens gehad! Dat was opwindend, want zo leerde ik dat literatuur wél de plek is waar we kunnen ervaren hoe het zou kunnen zijn om in het hoofd van iemand anders te zitten.”
Jaap Robben: De laatste namen van Lukasz. De Geus, 334 blz. €24,99
Die woorden resoneren enorm als je net de nieuwe roman De laatste namen van Lukasz van Jaap Robben (1984) gelezen hebt. Ja, dat kan literatuur! Zie dit boek. Hier bevind je je niet slechts in één hoofd-van-een-ander, maar je krijgt van zo goed als alle personages mee wat er in hun gedachten omgaat. Binnen scènes, soms per alinea en soms per zin, springt de verteller heen en weer tussen de personages, waardoor we steeds door andere ogen kijken (oftewel focaliseren). Eerder dan van een alwetende verteller moet je misschien spreken van een alziende verteller, want er is alleen een cameraman die registreert en doorgeeft, die er geen interpretatie bij geeft van wat we zien. De enige alwetende is de lezer.
Dit klinkt misschien technisch, maar dit is meer dan een recensentendingetje. Deze bijzondere vertelwijze is bepalend voor de leeservaring en voor wat Robbens roman te vertellen heeft. Met z’n meervoudige vertelperspectief dwingt hij je tot onmiddellijke empathie en brengt deze roman je de wereld in van mensen voor wie we in onze maatschappij doorgaans weinig oog hebben: arbeidsmigranten.
Zo eentje is Lukasz, een Pool die achterin een busje naar Duitsland is gekomen om daglonerswerk te doen, waar ze hem kunnen gebruiken. Maar hij is vermist. Janina, zijn zeventienjarige dochter, krijgt al weken geen antwoord meer op haar appjes. Dat z’n afwezigheid gewoon een karaktertrek is („Zo iemand is Lukasz, die verdwijnt niet. Die verschijnt”, aldus zijn ex, Janina’s moeder) valt niet vol te houden als ineens z’n jas gevonden wordt in Duisburg. Met alles erin.
Janina erheen. Zo begint een speurtocht die nog niet meevalt, want haar vader heeft geen bekende verblijfplaats, opereert in onofficiële, onduidelijke kringen, ook nog in een gebied waar drie landen aan elkaar grenzen. Hoewel Janina inmiddels het kind ontgroeid is dat van haar vader over Duitsland hoorde en naïef aannam „dat iedereen hem daar kende”, hoopt ze hem te vinden met behulp van „een geheim kamertje waar iemand zat die omringd werd door schermen met de beelden van bewakingscamera’s”. Maar zo’n kamertje is een illusie. Zo zit de wereld niet in elkaar, niet zijn wereld. De zoektocht leidt je als lezer dat hedendaagse Europa binnen waar níét alles goed geregeld en pais en vree is.
Dat levert meteen een geweldig eerste deel op, dat je ademloos leest en dat bijna de helft van de roman beslaat. Janina’s zoektocht is thrillerachtig spannend, met een soort race naar informatie, steeds nieuwe brokjes, die weinig geruststellend zijn maar ook nog van alles kunnen betekenen – iets met een ongeluk, een ziekenhuis, waar Lukasz is behandeld én weer weggegaan… Die spanning wekt grote betrokkenheid, bij Janina vooral, maar, dankzij de instant-inleving die dat verspringende perspectief mogelijk maakt, ook bij de mensen met wie ze zich omringt. Niet elke Pool of Albanees spreekt helder Engels, dus taalverschil maakt de communicatie gebrekkig, we lezen vaak onvertaalde zinnetjes. Robben is goed, zoals hij al bewees in Zomervacht (2018), in het neerzetten van ongemak en miscommunicatie.
Dus doet iedereen allerlei aannames over elkaar en ontstaat er soms vermoeide onwil, en wantrouwen – maar ook vertrouwen. En wil, om te helpen, is er heus (weten wij als alwetende lezers), al komt het soms niet over op de personages. Soms ben je weer blij als iets binnensmonds blijft, zoals de oprisping van een voorbijganger in een ziekenhuisgang: „Dat die bewaker Engels moet spreken tegen die klootvegers verbaast hem niks. Wie ze ook allemaal binnenlaten in dit land. Je kunt tegenwoordig aan de buitenkant niet meer zien wie hier de buitenlanders zijn.” Zo’n emmer ijswater – zo oneerlijk, zo onaardig – confronteert je met hoe de wereld vol zit met mensen die niet in andermans hoofd kunnen kijken.
Dat is in dat eerste deel al meteen de waarde van het vertelperspectief: het stelt Robben in staat om een wereld neer te zetten waar daden en transacties meer betekenen dan woorden en afspraken. In de interacties, met of zonder taal, lééft het boek – en des te pijnlijker is het om te lezen wat niet overkomt of wat ongezegd blijft.
De interacties mis je dan ook meteen als we, aan het begin van het (korte) tweede deel in het hoofd zitten van de voorman van de houtzagerij waar Lukasz een ongeluk kreeg – alleen dát hoofd dus, wat karig en stil voelt, en zijn zelfzuchtige gedrag wekt algauw afkeer. Al wordt het in Robbens proza niet gauw saai. Als deze Bertold kampt met „een vraag die als een mug door zijn hoofd zoemt”, slaat hij eerst die metaforische mug dood, maar „blijkbaar is het klam en warm in zijn hoofd, want er komen steeds nieuwe muggenlarven uit” – loepzuivere beeldspraak. Zo schrijft Robben ook met half-nieuwe, heel zintuiglijk voelende woorden over een „hoemend” ventilatiesysteem, iemand die „tipt” op z’n telefoonschermpje en iemand die zich „honkend” omdraait in bed. Ook mooi: „Hij moest er hard mee slaan voordat die vuilniszak lucht hapte en openklapte”, en een deodorant „die bijtende noordpoolkilte sprayt […] alsof je hard moet zijn voor je oksels”.
Zulke waarnemingen getuigen van een frisse blik op de wereld, en die brengt je heel nabij, echt in de scènes, in de personages. Waardoor gaandeweg des te pijnlijker wordt dat er ondanks hun goedbedoelde pogingen tot verbinding en communicatie toch altijd een kleine, maar cruciale afstand tussen hen blijft bestaan, iets onoverbrugbaars. Dat bewijst Lida – zij is, in het derde deel, de buurvrouw van Lukasz, al komt ze daar wrang genoeg pas achter als hij daar niet meer is. Ook zij (ook een arbeidsmigrant, uit Georgië, schoonmaakster, van huis uit archeologe) probeert zijn sporen te vinden en stappen te reconstrueren, waardoor je nog eens ervaart hoe onbereikbaar een naaste kan zijn. „Ze kan het bijna niet verdragen dat de herinnering aan haar buurman zo dichtbij is en tegelijk onbereikbaar blijft als andermans droom.”
Het voornaamste spoor dat ze heeft is een hondje dat hij achtergelaten heeft – speaking of gebrekkige communicatie. En ja, Robben focaliseert óók vanuit het hondje, schattig, maar net iets te vaak voor wat het verhaal echt nodig had, waardoor het een beetje gaat schmieren. Iets te veel vertedering ligt bij Robben wel vaker op de loer (zijn vorige roman Schemerleven mislukte erdoor, naar mijn mening), maar het blijft binnen de perken, en het is verdedigbaar. Als personage met een rol in het verhaal hoort het hondje er helemaal bij: eerst ontheemd, dan in een liefdevolle verbinding tredend met een nieuw iemand.
Bovendien vormt het deel over het hondje een interessant, enigszins schrijnend contrast met het laatste deel. Daar groeit bij de lezer het pijnlijke besef dat we wel de hele tijd óver Lukasz hebben zitten lezen, en weliswaar dichter bij zijn wereld zijn gekomen, maar nauwelijks bij hém. We hebben ons lekker zitten verplaatsen in een lief hondje, maar nauwelijks in een arbeidsmigrant. In Lukasz. Zijn naam schrijf je trouwens eigenlijk met een schuin streepje door de L, iets waar niemand acht op slaat (en deze krant drukt zulke leestekens niet eens af). „Alle Polen verloren het streepje in hun L wanneer ze de grens over gingen”, aldus Lukasz: dat is de tragiek van ontheemding in een notendop. Hij wordt ‘Lukas’ genoemd, pas aan het einde van de roman horen we hoe hij zelf zijn naam zou zeggen: „Woekasj”.
Dan pas. En dat staat voor iets groters. Het laatste hoofdstuk las ik – zonder spoilers te geven – met de verwachting dat er werd aangestuurd op een misverstand, maar dat zat toch anders. Ik zat mis door mijn aannames over hem, gebaseerd op het beeld van Poolse rouwdouwer dat ik me van hem had gevormd, terwijl daarin een vrij essentiële karaktertrek ontbrak. Daardoor vond ik het eerst een gek, atypisch einde (dat out of character aanvoelde), later dacht ik: nee, het was een goed, passend einde, schrijnend passend, bij alle miscommunicaties en verkeerde aannames. En confronterend: zo weinig wist ik dus van Lukasz. Dat Robbens daarop aanstuurde is onsubtiel duidelijk, maar zo laat De laatste namen van Lukasz je als lezer wel echt ondervinden hoe moeilijk het dus is om in andermans hoofd te kruipen.
Ja, in literatuur kan dat, gelukkig, maar dat is, vooral na het lezen, ook een dubbelzinnig genoegen. Want dan sta je dan, doordrongen van de onmogelijkheid ervan in de alledaagse praktijk. Denkend aan al die echte arbeidsmigranten die je na Robbens roman nog steeds niet kent, voel je waarom Elizabeth Strout het een verwoestend besef noemde. Om de afstand die er tussen mensen kan blijven bestaan, ook al staan ze nog zo dicht bij elkaar.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie