Jolanda de Koning (42) runt een plantenasiel in Alkmaar, als vrijwilliger. Door een chronische ziekte krijgt ze een WIA-uitkering. „Ik praat tegen planten. Dan zeg ik bijvoorbeeld: kom op, je kán ‘t wel!”
Jolanda de Koning met haar hond Charm en poes Cleopatra.
Jolanda: „Vijf jaar geleden ben ik een plantenasiel gestart, hier in Alkmaar. Eerst in mijn huis, daarna bij een culturele broedplaats in een omgebouwde zeecontainer. Daar kreeg wat ik deed een naam, Plantastico, en zo heet het plantenasiel nog steeds. Inmiddels zit ik in de Stadsfabriek Alkmaar, ook zo’n culturele broedplaats, maar veel groter. Ik vergroen hier delen van het gebouw. De kantine bijvoorbeeld heb ik aangekleed met planten, anders zou die heel kaal zijn.
„Een plantenasiel is een plek waar mensen hun planten heen kunnen brengen. Misschien zijn ze erop uitgekeken of doen ze ’t niet zo goed, weten ze niet hoe ze die planten moeten verzorgen, of hebben ze te veel stekjes waardoor ze planten dubbel hebben. Of als je bijvoorbeeld kleiner gaat wonen, waardoor je niet al je planten kwijt kunt, dan kun je de planten aan ons doneren. Of als je het huis leeg moet maken van iemand die overleden is.
„Een plantenasiel verkoopt plantjes veel goedkoper dan een tuincentrum. Bij ons betaal je bijna de helft van de prijs daar, en je krijgt persoonlijk advies. Ik heb er heel veel over gelezen en geleerd en die kennis deel ik graag. Mijn liefde voor planten heb ik al van jongs af aan. Mijn opa had een volkstuin en mijn moeder had ook veel planten.
„Als mensen denken dat een plant niet meer te redden valt, vind ik het juist een uitdaging die plant wel weer te laten groeien. Ik praat ook tegen planten. Dan zeg ik bijvoorbeeld: ‘Kom op, je kán ’t wel!’ Of: ‘Moet ik je ergens anders neerzetten?’ Ik vertel de planten dat ik blij ben dat ze groeien. Het zijn levende wezens. En ik geloof dat het helpt tegen ze te praten en ze in groepjes te zetten. Of ik zet muziek aan. Het is bewezen dat ze dan beter groeien. In stilte doen ze het minder goed. Maar ik praat ook in mezelf, of tegen een kast of zo. Dan zeg ik: stomme kast, ga eens gewoon dicht. Dus soms is het niet duidelijk of ik tegen de planten praat of gewoon in mezelf.
„De planten houden mij gezelschap. Ze praten niet terug en dat hoeft ook niet. Ik vind het heel lekker dat ze zo stil zijn. Thuis heb ik wel tachtig planten of zo, in huis en op mijn balkon. In het asiel heb ik twee- à driehonderd planten.”
„Ik woon in een appartement van honderd vierkante meter, met drie kamers, vlak bij het centrum van Alkmaar, in een wijk uit de jaren zeventig. Ik kijk uit op een parkje, dus het is hier lekker groen allemaal.
„Ik zit in de WIA, al zo’n twaalf, dertien jaar. Ik ben afgekeurd want ik heb dunnevezelneuropathie. Dat is een overprikkeling van de zenuwen vanuit de hersenen. Soms kan ik moeilijk lopen, zulke zere voeten heb ik dan. Of ik kan bijna niks oppakken met mijn handen. Het voelt als schaaf- of brandwonden.
„Het gaat niet zo snel achteruit, maar mijn belastbaarheid is minder. Vijf van de tien dagen heb ik last of pijn, pijn heb ik drie op de tien dagen. Als ik pijn heb, kan ik bijna niets doen.
„Mijn uitkering is 1.333 euro per maand. Daarbij krijg ik 129 euro zorgtoeslag, 370 euro huurtoeslag en 150 euro vrijwilligersvergoeding. Mijn huur is 641 euro en de zorgverzekering kost 208 euro.
„Ik ben een mensenmens, blij als ik eruit kan. Maar ik kan niet elke dag werken. Ik werk drie dagen per week. Ik begin in principe om tien uur maar het kan ook half elf of elf uur worden. Ik doe het ook voor de gezelligheid, om onder de mensen te zijn. Bij de Stadsfabriek draai ik ook bardiensten. En ik ga over de website, de social media en het contact met vrijwilligers.
„Het leuke van de Stadsfabriek is: iedereen daar heeft een rugzak. Iedereen mankeert iets, heeft begeleiding tot werk nodig of dagbesteding, heeft lichamelijke of psychische klachten. Het is een veilige plek en iedereen is welkom. We steunen elkaar. Ik heb adhd, collega’s houden daar rekening mee.
„Bij het plantenasiel heb ik een team van zes medevrijwilligers. Er is een veilige, prettige werksfeer, waarin iedereen kan werken in zijn eigen tempo. Iedereen wordt gewaardeerd en je wordt er nooit met de nek aangekeken.
„Sinds twee jaar boek ik bij de Stadsfabriek ook bandjes. We hebben een paar keer per maand muziekavonden. Ik ken veel bands uit de buurt en ga naar hun concerten. Of ik vind ze op Instagram. Soms plaats ik een oproep op social media. En ik heb meerdere keren een groot festival georganiseerd.”
„Opstaan doe ik om half negen, negen uur – dan drink ik koffie. Décafé, geen cafeïne, daar word ik veel te druk van. Mijn darmen kunnen er ook niet tegen. Ik heb een luie hond, die slaapt uit tot half tien. Op de dagen dat ik niet naar de Stadfabriek ga, help ik iemand in de huishouding, een vriendin van me, of ik relax. Docu’s en series kijken, bankhangen.
„Ik heb altijd relaties gehad, maar sinds januari ben ik single. Het leek me altijd verschrikkelijk om alleen te zijn, maar nu lijkt het me verschrikkelijk als ik weer constant met iemand rekening moet houden. Want als ik eenmaal in een relatie zit, doe ik dat te veel.
„Ik wilde meedoen aan Spitsuur om mijn verhaal te delen, bijvoorbeeld voor mensen die ook in de WIA zitten – om te laten zien dat er meer is dan alleen maar thuiszitten of voluit werken. Vrijwilligerswerk kan erg lonen, je haalt er veel voldoening uit. Dat wil ik aan mensen meegeven. Het draait niet alleen maar om moeten werken en verdienen en presteren. Het gaat erom dat je plezier hebt in je leven en dat je dat kunt delen – dat hoeft niet per se met een partner, maar kan ook met andere mensen.”
In het kort
Jolanda de Koning (42) runt een plantenasiel, als vrijwilliger. Ze doet dat in de Stadsfabriek Alkmaar, een culturele broedplaats. Ze is afgekeurd en krijgt een uitkering op grond van de WIA, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Thuis heeft ze tachtig planten, in het asiel twee- tot driehonderd. Ze woont alleen, in een appartement van honderd vierkante meter, met haar hond Charm en haar kat Cleopatra. Haar inkomen is minder dan half modaal. Ze krijgt wel toeslagen.
„In september hebben we met Plantastico op een markt gestaan en planten verkocht. De klanten betaalden in cash of via een Tikkie. Dat geld gaat in de pot van Plantastico.”
„Het liefst ga ik maar eens in de twee weken – ik heb heel veel in mijn vriezer en eet vaak in de Stadsfabriek, we eten daar elke dag een warme maaltijd. Eens in de maand mag ik een boodschappentas ophalen bij een kerkelijke instantie. Als ik boodschappen doe, besteed ik 50 of 60 euro. Vroeger ging ik naar de Aldi, nu meestal naar de Jumbo.”
„Ik heb onlangs een kat geadopteerd. Dat kostte 100 euro. Ik heb haar van een stichting waar je honden en katten uit Kroatië kunt adopteren. Ze heet Cleopatra.”
„Mijn hele huis is tweedehands, ik heb alles van rommelmarkten en kringloop.”
„Elke dag.”
„Van de week had ik bij de Action een drie-in-een-oplaadsnoer/accu gehaald. Maar het was een miskoop, want hij paste niet op mijn telefoon.”
„Ikzelf als ik thuis eet, of de kok als ik in de Stadsfabriek eet.”
„Kleding – daar heb ik te veel van – en ik wil altijd weer wat anders kopen, maar wel bijna altijd tweedehands. Ja, wat ik vandaag aan heb, is nieuw, maar dat heb ik gekregen.”
„Onvoorziene kosten, zoals voor de kat of de hond of een nieuwe wasmachine. En voor vakantie. Ik ga één keer per jaar naar Frankrijk, naar het huis van vrienden in Normandië. En dit jaar ben ik nog op Tenerife geweest – dat is dan de vakantie die ik van mijn vakantiegeld betaal. Ik ga met een vriendin, we leven allebei zuinig en boeken goedkope vakanties.”
„Ga minder vaak naar de supermarkt en koop niets online. Op Vinted, Temu en Shein of Bol koop je veel te makkelijk en op afbetaling, en dan kom je later in de problemen.
„En wat het huishouden betreft: als je elke dag iets kleins doet, is je huis toch altijd opgeruimd en schoon.”
In Spitsuur vertellen stellen en singles hoe zij werk en privé combineren. Meedoen? Mail naar werk@nrc.nl
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie