Bram van Erkel gaf als regisseur in de jaren zestig en zeventig de televisieherinneringen van huidige zestigers en zeventigers kleur. Onder andere de serie Q&Q, over twee brugklassers die een ‘moordzaak’ oplossen, hield in 1974 miljoenen aan de buis gekluisterd.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Bram van Erkel, de tv-regisseur die vorige week dinsdag op 94-jarige leeftijd overleed, ging in 1997 met pensioen. Met de pest in zijn lijf, vertelde de geboren Rotterdammer aan het Algemeen Dagblad. Desnoods konden ze hem vragen om een soap te regisseren. Alles om maar aan het werk te blijven in het vak waaraan hij zijn hart had verpand. Al zou het maken van een soap ‘nog wel van de omstandigheden afhangen’, zei de pensionado. Liever deed hij een comedy.
Dat Van Erkel zich morrend achter de geraniums terugtrok, had wellicht ook te maken met hoe zijn zwanenzang als televisiemaker verliep. Het jaar voor hij met pensioen ging, had de regisseur voor de NCRV In naam der koningin gemaakt, een vijfdelige tv-serie over het koloniale verleden van Nederland met hoofdrollen voor Thom Hoffman en Rik Launspach. Met een budget van 10 miljoen gulden (ruim 4,5 miljoen euro) was dat destijds de duurste dramaserie uit de geschiedenis.
Een deel van de opnamen werd gedraaid op de Filipijnen, dat voor de Indonesische provincie Atjeh van rond 1900 moest doorgaan. De kosten liepen mede zo hoog op omdat een tropische storm de filmset verwoestte.
Na uitzending volgde een tweede storm: de tv-kritieken. Al voor het eerste deel te zien was, signaleerde Ellen van den Boomgaard in de Volkskrant hoe ‘oubollig’ de titelmuziek van Joop Stokkermans was. ‘Zonder beelden lijken zijn composities nog het meest op James Last in de hotellobby.’ ‘Traag en voorspelbaar’, oordeelde tv-recensent Ruud Verdonck in Trouw. ‘De lange shots die regisseur Bram van Erkel verordonneerd heeft, dragen de serie naar een bijna lusteloos toekijken.’
De kritieken moeten een bittere pil zijn geweest voor Van Erkel, die 35 jaar lang grote triomfen had gevierd bij de Nederlandse televisie. Hij begon zijn carrière in Hilversum in 1960 en had na vier jaar zijn eerste regieklus te pakken: Vrouwtje Bezemsteel, een sprookjesserie voor de allerkleinsten die tussen 1964 en 1967 door de Avro werd uitgezonden.
Van Erkels grote doorbraak kwam met Oebele, dat van 1968 tot 1972 zou uitgroeien tot een van de populairste kinderseries en ook zou dienen als springplank voor de tv-carrières van acteurs Willem Nijholt en Wieteke van Dort. Oebele betekende ook het begin van de hechte band die Van Erkel opbouwde met componist Joop Stokkermans en tekstschrijver Harrie Geelen.
Het trio tekende twee jaar na de laatste aflevering van Oebele voor Q&Q, een spannende tv-serie over twee brugklassers met de onmogelijke namen Aristides Quarles van Ispen en Wilbur Quant, die per ongeluk stuiten op wat een moord lijkt. Omdat volwassenen hun verhalen afdoen als nonsens, gaan Quarles en Quant zelf op onderzoek uit.
Met de dromerige titelsong, gezongen door de destijds al populaire zanger Robert Long, werd Q&Q een doorslaand succes. Het eerste seizoen van dertien afleveringen trok wekelijks gemiddeld 3,1 miljoen kijkers, een kijkcijferrecord dat lange tijd niet werd gebroken. Ook in het buitenland boekte de serie succes. In een interview met Trouw in 1994 vertelde Martin Perels, die Quant speelde, dat hij postzakken vol fanmail kreeg, soms met haarlokjes van fans bijgesloten, soms helemaal uit Japan.
Van Erkel was niet alleen achter de camera’s te vinden. Tussen 1970 en 1978 was hij een van de presentatoren van het KRO-programma Klassewerk, waarin de leerlingen van enkele lagere scholen elkaar in kennisvragen en behendigheidsspellen moesten aftroeven.
In de jaren tachtig en negentig legde Van Erkel zich toe op tv-series en films voor volwassenen. Van drama’s, zoals Het wassende water (1986) naar de gelijknamige streekroman van Herman de Man, tot een comedy als Rust roest (1989), over bewoners van een bejaardenhuis die betrokken raken bij een bankoverval.
Hoewel Van Erkel in het afscheidsinterview met het Algemeen Dagblad bezwoer dat een bestaan als freelancer hem nooit had kunnen bekoren, ging hij een jaar na zijn pensioen toch weer aan de slag. Hij deed van 1999 tot 2000 voor de Vara de regie van Ben zo terug, een komedie rond kapsalon ‘De Hippe Knip’ in een Rotterdamse volkswijk.
Zijn laatste klus voor televisie was uiteindelijk toch weer een muzikaal kinderprogramma, net als Oebele in de jaren zeventig. Schudden tot het sneeuwt beleefde tussen 2003 en 2005 zestien afleveringen, maar werd stopgezet omdat de Avro een vervolg niet wilde bekostigen. Dat was in de gouden tijd van jeugdtelevisie wel anders geweest, herinnerde Van Erkel zich in zijn afscheidsinterview. ‘Er was altijd geld.’
Voordat hij voor de televisie ging werken, was Bram van Erkel tien jaar onderwijzer op een lagere school. Hij volgde de kweekschool, tot 1968 de aanduiding voor wat de pedagogische academie basisonderwijs (pabo) ging heten. Hij zat in de klas met Koos Postema, de latere Vara-presentator.
In de komische serie Ben zo terug kwamen ook de tegenstellingen aan de orde tussen de oorspronkelijke bewoners van een volkswijk en de buitenlandse nieuwkomers. Als de serie liet zien dat samenleven ook zonder botsingen kan, was dat bijvangst, maar niet het doel, vond Van Erkel. ‘Ik hoef niet per se de schoolmeester uit te hangen. Er is niets dodelijker dan dat.’
Hoewel hij zijn meeste werk voor televisie deed, regisseerde Van Erkel in 1982 ook de film Het verleden met onder anderen Jeroen Krabbé, Jan Decleir en Marjan Berk. ‘Geen buitengewoon adembenemende film’, constateerde filmcriticus Peter van Bueren in de Volkskrant.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant