Home

Heeft het zin om sociale media uit het leven van kinderen te bannen? Dit zijn de vijf belangrijkste conclusies uit tientallen wetenschappelijke onderzoeken

Psychologie Over de gevolgen van digitale media voor het leven van jongeren is heel veel nog onduidelijk. Wat is al wel uitgezocht? Het is een „uiterst emotioneel debat”.

‘Brain rot’. Ineens gebruikten media – ook NRC – dit begrip voor de veronderstelde hersenverweking bij jongeren die heel veel tijd doorbrengen met hun smartphone of computer. Het werd in 2024 het ‘Oxford-woord van het jaar’. In de Spaanse krant El País vergeleek een hersenwetenschapper de effecten van bijvoorbeeld oneindig scrollen op de hersenen met die van alcohol en drugs. Hij baseerde zich op andermans onderzoek, waaruit zou blijken dat bij fanatieke gamers de hoeveelheid witte en grijze hersenmassa is verminderd.

„Ik ergerde me aan de metafoor van ‘brain rot’, omdat deze de indruk wekt dat er daadwerkelijk sprake is van verval, beschadiging of onherstelbare vernietiging in de hersenen”, mailt de Duitse jeugdpsychiater Jörg Fegert, hoogleraar aan de universiteit van Ulm. Dat is namelijk niet zo, leerde Fegerts eigen duik in de wetenschappelijke literatuur. De opgevoerde studie zegt niets over een (onomkeerbare) afname van hersenmassa bij gamers, maar alleen iets over een (omkeerbare) vermindering van het aantal verbindingen in hun brein.

De mogelijk schadelijke effecten van digitale media op de gezondheid van de jeugd zijn al tijden onderwerp van een fel debat. Met alarmistische berichten, zoals die over breinrot, maar ook met duizenden meer genuanceerde wetenschappelijke publicaties. Met Amerikaanse rechtszaken tegen de techbedrijven achter de digitale media en met een Australisch verbod op sociale media voor kinderen.

Klap op de vuurpijl is voorlopig het voornemen om in de Europese Unie kinderen te beschermen door hun toegang tot sociale media te verbieden of te beperken. Nogal wat experts vinden zo’n verbod contraproductief, omdat dit (heel) jonge mensen beperkt in hun autonomie en hen afsnijdt van de goede dingen in de online wereld – terwijl het maar de vraag is in hoeverre hun problemen echt te wijten zijn aan het schermgebruik.

Gesprekken met honderden experts

Dit roept de vraag op hoeveel wetenschappelijk bewijs er is dat het (intensieve) gebruik van digitale media schadelijk is voor de jeugd. De Europese Commissie onderbouwt haar voorstel voor een ban op sociale media met het EU-rapport Child safety online, dat deze zomer is verschenen. De auteurs zijn Fegert en de Franse epidemioloog Maria Melchior, leidinggevende bij het vooraanstaande Public Health Institute van de Sorbonne Universiteit en Inserm (een soort Frans RIVM).

Hoe hebben deze experts het wetenschappelijke bewijs gewogen?

Dat hebben ze om te beginnen anders gedaan dan de wetenschappers die onlangs in het medisch vaktijdschrift The Lancet een oproep deden voor een strenge regulering van digitale media. Die deden een overzichtsstudie, waarin een kleine drieduizend bestaande onderzoeken zijn samengebald – en waarbij volgens strakke regels te kleine of matige dan wel slecht vergelijkbare studies zijn afgevallen. Het voordeel van dit type studie is dat je over een beperkt aantal verbanden behoorlijk stevige uitspraken kan doen, zoals in The Lancet ook is gebeurd: jonge mensen die veel tijd doorbrengen met een scherm kampen vaker met mentale problemen, overgewicht en slaapgebrek.

Zo’n strakke aanpak kan nadelen hebben, doordat beperkt onderzochte maar mogelijk belangrijke aspecten buiten beeld blijven. „We hebben daarom gekozen voor een meer kwalitatieve aanpak”, vertelt Maria Melchior in een videogesprek: „Door gesprekken te voeren met allerlei soorten experts en hun te vragen wat zij zien.” Dat gebeurde bij zogeheten expertmeetings, waarin naast wetenschappers ook bijvoorbeeld vertegenwoordigers van ouders en jongeren aanschoven.

De gesprekken met in totaal honderden personen werden gevoerd op basis van zes vooraf vastgelegde uitgangspunten, zoals ‘gelijkheid en diversiteit’. Het belangrijkste uitgangspunt was dat beeldschermrisico’s per ontwikkelingsfase van een kind verschillen – van een peuter die mogelijk minder goed leert om impulsen te beheersen tot een puber die slachtoffer kan worden van grooming. „Vervolgens hebben we gekeken of er voor de observaties van de sprekers een onderbouwing was te vinden in de wetenschappelijke literatuur”, zegt Melchior.

Die was er niet altijd, zoals toen jongeren vertelden hoe belangrijk het in landelijke gebieden voor hen is om online in contact te komen met gelijkgestemden. Omdat de auteurs het idee van de jongeren wel waardevol vinden, pleiten ze ervoor om ook in gebieden met weinig voorzieningen te zorgen voor aantrekkelijke offline activiteiten.

Doorgaans bleek er wel een ondersteunend onderzoek te zijn. Zo zijn 176 publicaties beland in het rapport, waaronder Fegerts eigen publicatie over niet-bestaand breinrot. Lezing van het rapport plus een handvol onderliggende studies levert vijf bevindingen op.

1Geen keihard bewijs voor schade, wel sterke aanwijzingen

In de Canadese provincie New Brunswick deden twee psychologen een jaar of tien geleden onderzoek naar cyberpesten. Ze wierven een kleine driehonderd proefpersonen met oproepen op sociale media, posters op scholen en advertenties op de websites van familiecentra. De jongeren (16-19 jaar) kregen lijsten met vragen als: ‘Heeft jouw familie moeite de eindjes aan elkaar te knopen’ en of ‘iemand online weleens gemeen’ tegen hen was geweest.

Meisjes zijn vaker slachtoffer van cyberpesten dan jongens, zo bleek uit de studie. De onderzoekers zetten zelf wel enkele kanttekeningen. Hun steekproef was door de selectiemethode waarschijnlijk niet representatief voor de hele leeftijdsgroep. Het onderzoek berustte op zelfrapportage. Het was niet mogelijk om onderscheid te maken tussen cyberpesten en pesten in de reële wereld.

Veel van de onderzoeken naar de effecten van digitale media hebben dit soort beperkingen. De onderzoeksgroepen zijn vaak klein, de gevonden effecten beperkt en de resultaten lastig te duiden. De studies zijn doorgaans kortlopend, worden zelden gedaan met een controlegroep en berusten veelal op zelfrapportage (vragenlijsten). Er zijn geen standaarden voor hoe je de data verzamelt.

Het onderzoek loopt daarnaast achter op de technologische ontwikkelingen: veel Facebook, geen ChatGPT – hoewel jongeren taalmodellen intensief gebruiken en online op akelige door AI gegenereerde ‘content’ kunnen stuiten. Wetenschappers hebben geen toegang tot de data van techbedrijven over bijvoorbeeld de manier waarop algoritmes de aandacht van jonge gebruikers vasthouden en sturen. Tot slot zijn studies naar positieve effecten schaars.

Fegert en Melchior zijn dan ook voorzichtig met het trekken van conclusies. Hun rapport wemelt van woorden als ‘associatie’ en ‘suggereert’.

De mate van wetenschappelijke onzekerheid verschilt overigens per term, legt Fegert desgevraagd uit. Een associatie is een correlatie, waarbij (nog) geen causaal verband kan worden gelegd. Fegert: „Het woord ‘suggereren’ gebruiken we als bepaalde conclusies aannemelijk zijn, maar een causale bewijsketen nog niet is vastgesteld.”

Want sommige verbanden zíjn aannemelijk, zegt Fegert, doordat ze in meerdere onderzoeken zijn gerepliceerd en bevestigd: „Zoals dat tussen de ‘dosering’ – oftewel de hoeveelheid tijd die dagelijks aan digitale media wordt besteed – en emotionele symptomen en slaapproblemen.” Melchior vertelt over een studie waarin naast een onderzoeksgroep een keertje wel een controlegroep zat: „In de groep waar de dagelijkse hoeveelheid schermtijd omlaag werd gebracht, namen de mentale problemen duidelijk af.”

2Uitwisseling tussen de werkelijke en digitale wereld

Eenrichtingsverkeer als in bovenstaande voorbeelden vinden onderzoekers maar zelden. De meeste associaties lijken tweerichtingsverkeer te zijn, een uitwisseling tussen de werkelijke en de digitale wereld. Fegert, die veel kinderen met psychische problemen heeft behandeld, licht toe. „Patiënten die in hun vroege kindertijd te maken hebben gehad met tegenspoed en/of kampen met psychische aandoeningen, zijn al kwetsbaarder voordat zij digitale media intensief gaan gebruiken. Tegelijkertijd zijn zij ook vatbaarder voor de negatieve gevolgen van intensief mediagebruik.”

Dit tweerichtingsverkeer is ook goed te zien bij gamen, leert een Amerikaanse overzichtsstudie, waar ruim honderd onderzoeken zijn meegenomen. Vooral bij jongens kan gamen problematisch worden, zeker als ze er jong mee beginnen. Wie al concentratieproblemen heeft, zoals bij ADHD, loopt een grotere kans op problematisch gamen. Dit ongezonde gamen vergroot op zijn beurt de bestaande aandachtsproblemen – al is dit effect net wat kleiner dan andersom.

Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan, waarbij bestaande problemen leiden tot meer schermgebruik dat vervolgens de problemen vergroot. In beide richtingen zijn de effecten overigens klein, schrijven de onderzoekers: „Maar ze kunnen in de loop van de tijd optellen.”

Onmatig alcoholgebruik onder jongeren en hun gedrag op sociale media is ook tweerichtingsverkeer. Kathleen Beullens, hoogleraar massacommunicatie aan de Katholieke Universiteit Leuven, heeft er veel onderzoek aan gedaan. In België ligt de minimumleeftijd voor het drinken van alcohol op 16 jaar, terwijl dat in veel andere Europese landen, zoals Nederland, 18 jaar is. „Alcoholconsumptie zit hier in de cultuur.”

In al wat ouder onderzoek stelde Beullens vast dat vrijwel alle jongeren op sociale media positieve beelden over alcoholgebruik tegenkomen. Om te zien wat dit doet met hun drinkgedrag en -opvattingen liet Beullens meer dan drieduizend Belgische jongeren (16-20 jaar) vragenlijsten invullen. Met vragen over de eigen alcoholconsumptie, wat ze zien als probleemdrinken en hun activiteiten op sociale media.

„Bij jongeren zie je vooral een samenhang tussen te veel drinken en het zelf plaatsen van positieve posts over bijvoorbeeld een feestje met drankjes”, zegt Beullens. „Dat past in een cultuur waarin alcoholgebruik de norm is.” Sociale media kunnen die norm versterken, maar zijn niet de oorzaak van het drankgebruik: „Het is een wisselwerking.”

3De ‘armen’ worden armer, de ‘rijken’ rijker

Dit tweerichtingsverkeer pakt voor de een beter uit dan voor de ander, doordat sociale media bestaande verschillen versterken. Kinderen die het in de reële wereld niet makkelijk hebben, lopen online meer risico’s dan bevoorrechte kinderen. „Er zijn diverse potentiële onderliggende factoren die bijdragen aan de kwetsbaarheid”, zegt Fegert. Dan gaat het om gebrek aan geld, weinig stabiliteit thuis en aanleg voor mentale problemen.

Kinderen die op hun zevende al depressieve symptomen hebben, lopen een grotere kans om in de puberteit problematisch gedrag op sociale media te ontwikkelen, laat de eerder genoemde Amerikaanse studie zien. Een onderzoek onder ruim zeshonderd jongeren in de Duitse stad Leipzig toont aan dat negatieve ervaringen met internet veel voorkomen bij personen met mentale problemen.

Kinderen uit achterstandsmilieus hebben ook een grotere kans op negatieve ervaringen online. Zo liepen de arme pubers in de Canadese studie een grotere kans om online gepest te worden, doordat zij geen geld hadden voor het aanschaffen van lifestylegoederen (denk aan dure sneakers).

Wie introvert is en een zwak sociaal netwerk combineert met een laag zelfbeeld, heeft grotere kans om op internet ongewenst materiaal tegen te komen of ongewenste contacten op te doen. Dit blijkt uit een grote overzichtsstudie die is gemaakt door het wetenschappelijk bureau van de Europese Commissie. Een extraverte jongere met een stevig sociaal netwerk en een goed zelfbeeld, krijgt online sterke relaties met en steun van anderen. „Er is steun voor de rich get richer-hypothese”, concluderen de onderzoekers. Ofwel: wie heeft, zal ontvangen.

4Kinderen van kleur en jonge pubermeisjes zijn het meest kwetsbaar

In dit krachtenveld lopen bepaalde groepen online nog eens extra risico. Dat geldt bijvoorbeeld voor lhbti-jongeren. Het internet biedt hun de mogelijkheid om hun (ontluikende) seksualiteit en identiteit te ontdekken, onder meer door contact met zielsverwanten. Toch lijkt het erop dat persoonlijke contacten hun meer ondersteuning en veiligheid bieden. Dat komt doordat queer jongeren bovengemiddeld vaak doelwit zijn van pesterijen.

Kinderen uit raciale minderheden zijn het vaakst doelwit van pesten, discriminatie en lastigvallen online. Zij lopen daarnaast een verhoogde kans op mentale schade door de normalisering van racistische hate speech op sociale media. Het overkomt deze kinderen ook vaker dat hun posts worden verwijderd, door de vooroordelen in de algoritmes van de sociale media.

Tot de meest kwetsbare jonge mensen behoren ook meisjes bij de overgang naar de puberteit (10-12 jaar), zo blijkt uit tal van studies. „De onderzoeken naar de negatieve effecten van digitale media op het gevoel van eigenwaarde van vooral meisjes in de vroege adolescentie zijn robuust”, zegt Fegert. Pubers-in-wording ondergaan veranderingen aan het brein en beginnen zich te vergelijken met leeftijdgenoten.

Daarbij is er meer sociale druk op meisjes dan op jongens om te voldoen aan schoonheidsidealen, laat de EU-studie zien. Schadelijke normen die op sociale media worden uitgevent, zoals het streven slank te zijn, verminderen bij meisjes de tevredenheid over het eigen lichaam en vergroten de kans op een slecht zelfbeeld. „Alleen al de modellen die overal te zien zijn, kunnen behoorlijk verontrustend zijn voor jonge vrouwen die er niet zo uitzien”, zegt Melchior. Negatieve commentaren van leeftijdgenoten op hun uiterlijk kunnen sterke emotionele effecten hebben.

Meisjes lijken meer tijd door te brengen op sociale media dan jongens. Ze gebruiken die voor het ontwikkelen en onderhouden van betekenisvolle relaties met anderen. Daardoor zijn ze ook kwetsbaarder voor negatieve effecten. De samenhang tussen schermtijd en (sociale) angst is robuuster bij meisjes dan bij jongens. Meisjes worden daarnaast blootgesteld aan online seksisme en vrouwenhaat en zijn als ze ouder worden (13-15 jaar) vaker slachtoffer van deepfakes en grooming.

5Ouder kan kind helpen, door bij zichzelf te beginnen

De rol van ouders in het schermgedrag van kinderen verandert met het opgroeien. Waar ouders bij peuters nog eenzijdig de regels bepalen, zijn ze bij pubers meer een gids. Om te beginnen moeten ouders zelf niet te veel op een scherm zitten, blijkt uit een Chinese overzichtsstudie, met in totaal 54.000 kinderen tot en met vier jaar oud. Er was een duidelijke samenhang tussen een lange schermtijd bij kinderen en ouders die lang op een scherm zitten.

Bij heel jonge kinderen kunnen ouders het schermgebruik maar het beste beperken, is de suggestie van een Nederlandse publicatie op basis van de zogeheten Generation R-studie, de cohortstudie die al decennia loopt in Rotterdam. Onder een kleine vierduizend kinderen van drie jaar oud bleek er een sterke samenhang tussen langdurig voor een (tv-)scherm zitten en klierig gedrag (‘externaliserende problemen’).

Oudere kinderen (12-18 jaar) kunnen met hulp van hun ouders online positieve ervaringen hebben, blijkt uit onderzoek van Amerikaanse psychologen – al geldt dat vooral voor goed functionerende gezinnen met een behoorlijk inkomen. Een laat-maar-waaienhouding werkt niet goed en een alles controlerende aanpak evenmin. Het beste lijkt een aandachtige en ondersteunende opvoedstijl, waarbij ouders met hun kinderen afspraken maken over schermtijd, met hen praten over wat ze online meemaken en samen met hen risico’s in kaart brengen.

Data van techbedrijven nodig

De bescherming tegen mogelijke negatieve effecten moet worden afgewogen tegen het recht van kinderen om deel te nemen aan de samenleving, zegt Fegert: „Het bewijsmateriaal wijst er duidelijk op dat bij kinderen jonger dan 13 jaar de nadruk op bescherming moet liggen.” Het is niet mogelijk om vast te stellen of de leeftijdsgrens voor een verbod 14, 15 of 16 jaar moet zijn, zegt hij: „Dat is uiteindelijk een politieke beslissing.” Het EU-voorstel voor een verbod tot en met 13 jaar en een begeleide toegang tot en met 15 jaar moet nog worden goedgekeurd.

Intussen valt er voor wetenschappers nog veel uit te zoeken. Denk aan de directe effecten van online marktplaatsen en AI-tools of aan de indirecte effecten zoals minder slaap, sport en lezen. De auteurs zouden vooral meer willen weten over het „schadelijke ontwerp” van platforms. „Denk aan oneindig scrollen, konijnenholen en heel veel advertenties”, legt Melchior uit. „We willen graag weten hoe algoritmes bestaande kwetsbaarheden versterken en bijvoorbeeld de kans op verslaving bij jonge gebruikers vergroten.”

Daarvoor hebben wetenschappers de data van de techbedrijven nodig. De bedrijven zijn volgens de Digitale Dienstenwet (DSA) van de EU verplicht om de data te delen (artikel 40), maar stribbelen tegen. Een auteur van de Lancet-studie maakte een vergelijking met de praktijken van de tabakslobby: „Twijfel zaaien, critici in diskrediet brengen, regelgeving afschilderen als een bedreiging voor de vrijheid.” Fegert en Melchior willen hierop niet ingaan. In hun rapport schrijven ze alleen dat de Europese Commissie zou moeten evalueren of artikel 40 van de DSA in de praktijk voldoende werkt.

Langlopende cohortstudies hard nodig

In de VS loopt al een decennium de zogeheten ABCD-studie, waarbij kinderen per geboortejaar worden gevolgd en onderzocht op de effecten die digitale media hebben op hun cognitieve ontwikkeling. In Europa worden kinderen ook al decennia gevolgd in cohortstudies, zoals de Franse Tempo-studie, waarbij Melchior al heel lang is betrokken. Daarbij wordt alleen nog niet vaak gekeken naar (digitale) media; de Rotterdamse studie over tv-kijkende peuters is wat dat betreft een witte raaf.

Toch zijn langlopende cohortonderzoeken zoals de Amerikaanse ABCD-studie ook in de EU hard nodig, vinden Fegert en Melchior, om beter bewijs te verzamelen voor de effecten van digitale media op kinderen. „Het is zeker mogelijk om structureel vragen over digitalemediagebruik toe te voegen aan de lopende cohortstudies als Generation R in Rotterdam”, zegt Melchior. Dat kost alleen wel geld.

Zolang het wetenschappelijk bewijs niet keihard is, zal het debat over de mogelijke schadelijke effecten nog wel even doorgaan. „Dit is een tijdelijk verhit en uiterst emotioneel debat”, stelt Fegert vast. Wetenschappers moeten dat volgens hem niet oppoken met het zwaar aanzetten van individuele studies zoals die over de vermeende breinrot: „Ze moeten de polarisatie tegengaan door bewijsmateriaal in perspectief te plaatsen en de verschillende opties voor besluitvorming in kaart te brengen.”

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Kind en jeugd

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next