De onderwijsrellen in Frankrijk kunnen leiden tot een misverstand: dat het Nederlandse stelsel beter zou zijn dan het Franse onderwijs. Een pijnlijke vergissing.
Jaren geleden nam ik mijn moeder mee naar Parijs. Voor het aperitief stonden we voor ons hotel. Mijn moeder rookte een sigaret. Een peperdure Mercedes stopte. Hij wilde parkeren. Ik zei, dit kan niet. Mijn moeder zei, hij kan dat. De Mercedes tikte met de achterkant een auto aan. De bestuurder stapte uit, knikte, zei ‘bonsoir’, zonder schaamte en liep naar een café. Mijn moeder keek mij triomfantelijk aan.
Een gedeukte auto is een metafoor die het Franse onderwijs past als een handschoen. Leerlingen in eindexamenklassen klagen over grote klassen, lerarentekort en verloederde gebouwen. Autoritaire omgangsvormen en selectieve toelating tot prestigieuze vervolgopleidingen voeden de onzekerheid van de jeugd tot aan de huig. Dat de kots er op een gegeven moment uitspuit, is begrijpelijk. Slecht onderwijs treft jongeren direct in hun kansen op maatschappelijk succes.
Over de auteur
Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider en publicist.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Bij ons werkt dat anders. 40 procent van de 15-jarigen kan volgens de laatste Pisa-meting amper lezen. Toch gaan steeds meer leerlingen naar havo of vwo en slaagt ruim 90 procent voor het eindexamen. Vanuit die vergelijking volgt een fundamentele vraag: welk onderwijsbestel is beter? Spoiler: beide stelsels gaan gebukt onder slecht bestuur, maar in Frankrijk leren kinderen meer op school.
De opstand van Franse scholieren wordt gevoed door grote klassen en lesuitval. De feiten en achtergronden. Het Franse lycée général, de bovenbouw van het vwo, kent klassen van gemiddeld 30 leerlingen. In de onderbouw stelt de overheid een maximum groepsgrootte van 25 leerlingen vast. Op de basisschool ligt dat getal op 24. In achterstandswijken zelfs op 12.
Jonge kinderen die minder van thuis meekrijgen, zitten in het begin van hun schoolcarrière in kleine klassen. Met individuele aandacht leren ze hoe dat werkt, leren in een klaslokaal. Na deze start worden de groepen langzaam groter.
Nederland stelt de klassengrootte sinds 1983 niet nationaal vast en laat dit aan scholen. Dertig jaar geleden is vanuit het ministerie een poging gedaan hier toch invloed op uit te oefenen. Een onderzoek uit de jaren tachtig, gedaan in Tennessee, toont aan dat kleinere klassen alleen effect hebben in de eerste vier schooljaren.
Staatssecretaris Tineke Netelenbos (PvdA) maakte daarom in 1996 geld vrij voor klassenverkleining in de eerste vier groepen van het basisonderwijs. Het onderwijsveld vindt echter dat alle leraren recht hebben op kleinere groepen. Het gereserveerde budget werd uitgesmeerd. Weg geld. Weg effect.
Omdat wij geen maximale klassengrootte kennen, lopen de lokalen, afhankelijk van het aantal aanmeldingen, meestal vol tot 32 leerlingen. Kortom, in Nederland zijn met uitzondering van de laatste klassen in het vwo de groepen groter dan in Frankrijk.
Het opleidingsniveau van leraren in Frankrijk is dat van een academische masteropleiding. Bij ons staan grotendeels hbo’ers voor de klas. De meest prestigieuze graad, professeur agrégé, resulteert na een vakinhoudelijk concours met een vooraf vastgesteld quotum in een baangarantie. Met een mbo-opleiding doorstromen naar de status van leraar via een verkort zijinstroomtraject is in Frankrijk ondenkbaar.
Het Nederlandse startsalaris in het onderwijs is 2.500 euro netto en kent een maximum van 4.300 euro netto. In Frankrijk start de professeur agrégé met 2.000 euro netto en eindigt net boven de 4.300 euro. Volgens het Franse ministerie fluctueert het gemiddelde nettosalaris bij een volledige werkweek rond de 3.200 euro.
De Franse leraar gaat tussen zijn 62ste en 64ste met pensioen. Een gymleraar geeft bij een volledige werkweek twintig lessen per week, een professeur agrégé vijftien en een leraar op het collége, de Nederlandse onderbouw, achttien. Frankrijk kent ook geen lerarentekort zoals bij ons. Er is een verwaarloosbaar arbeidsmarkttekort van 0,1 procent. Wel worden lessen die uitvallen door ziekte niet of laat vervangen.
En dan komt de hamvraag: wat is de uitkomst van beide stelsels? Pisa laat zien dat Franse 15-jarigen in wiskunde slechter zijn dan Nederlanders. De natuurwetenschappen liggen op hetzelfde niveau en het lezen gaat ook in Frankrijk minder goed, maar is veel beter dan bij ons.
Een essay schrijven, kennis van literatuur, kunst en denkbeelden: Frankrijk wint. Wiskunde is lastiger. Ik heb wiskundelessen bijgewoond op een lycée en was onder de indruk van het vakinhoudelijke niveau. De pratende leraar schrijft indrukwekkend en correct een bord vol, dat door een enkeling wordt begrepen. Ik zag geen directe instructie in de betekenis van uitleg, voordoen, nadoen, samendoen, zelf doen en controle.
Mijn beste leerling van vorig jaar, die niet door de selectie voor een ruimtevaartopleiding kwam omdat de wiskunde van Esten, Bulgaren en Fransen beter is, zou hiermee geholpen zijn. De rest ligt waarschijnlijk te tukken, want dat is nog een verschil: in Frankrijk is het een stuk rustiger in de klassen.
Het onderwijs in Frankrijk oogt verstandig ingericht, maar schudt op zijn grondvesten door slecht bestuur. Bij ons beschadigt slecht bestuur het leren van kinderen al dertig jaar.
In beide landen is geld niet het probleem. Frankrijk en Nederland besteden 5,1 procent van het bbp aan onderwijs. Maar de Franse staatsschuld loopt met 5.000 euro per seconde op. De kapitaalmarkt straft met een rente op nieuwe leningen van twee procentpunten meer dan bij ons. De pensioenen vreten aan het onderwijsbudget en daarom komt elk jaar de bezuinigingszeis langs. Leraren die later met pensioen gaan en een grotere lestaak hebben, zorgen voor minder pensioenlasten, meer lescapaciteit en kleinere groepen.
Maar ja, dan worden vakbonden boos en volgen irrationele kaasschaafbezuinigingen, zoals uitstel van onderhoud aan gebouwen, korten op ziektevervanging en sluipende klassenvergroting in de hoogste klassen. En inderdaad, leraren worden niet boos, hun leerlingen wel. Omdat het gehele land verarmt, is de herkenning groot.
Het scholierenprotest gaat naar een volgend niveau. Dit breed gedragen protest tegen de regering ontspoort. Met als cynische maatschappelijke uitkomst: de geprivilegieerde lycéeleerlingen komen in opstand en krijgen wat zij willen, terwijl de kansloze sloebers uit de banlieues winkels plunderen en daar nog decennia voor betalen.
De vernielingen laten vooral zien dat de opvoeding tot burger – het doorgeven van wat wij als samenleving van waarde vinden, de hoofdtaak van het funderend onderwijs – mislukt. Maar iedereen die denkt dat het Nederlandse onderwijs dat beter doet, vergist zich. Want Nederlandse schoolbesturen bezuinigen ook op lesactiviteit en steken geld in zaken waar geen kind wat van leert. De groepen zijn hier groter dan in Frankrijk, leraren zijn lager opgeleid en geven ook langer les. Maar ja, decentraal bestuur neutraliseert nationale opwinding en verzet.
Inderdaad, niet iets om vrolijk van te worden.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant