Home

Moeders en dochters zitten samen gevangen in een verstikkende dynamiek: hoe breek je daaruit los?

Hoe harder journalist Lena Bril zich afzet tegen haar moeder, hoe meer ze aan haar gebonden blijft. Hoe verbreek je die symbiose? Misschien, leert ze van Adrienne Rich en Rachel Aviv, moet ze haar moeder eerst eens anders leren zien.

is filosoof en schrijft voor Volkskrant Magazine over moderne etiquette.

Op de Périphérique van Parijs voel ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ik zit achter het stuur, mijn geliefde naast me. Voor de vakantie hebben we samen een tweedehandsstation gekocht. ‘Geen Volvo’, had ik gezegd – daar rijdt mijn moeder in.

Ik neem een afslag, rijd een tankstation binnen, vergeet af te remmen en zet de bumper tegen een paaltje aan. Mijn vriend draait zich met een ruk opzij, ogen wijd opengesperd, knokkels wit geknepen. ‘Wat dóé je!’

Daar, op een snikhete parkeerplaats, trekken de scènes aan me voorbij. Mijn moeder, een slaande deur, de geur van verbrand plastic, mijn ogen op de stoep gericht.

Ik spreek mijn moeder al jaren weinig, en toch is ze daar, telkens opnieuw, naast me, in mijn eigen auto. Dan voel ik me weer zoals wanneer ze in de bijrijdersstoel zat: stuurloos.

De rest van de vakantie lukt het me niet om controle terug te krijgen over de auto, over mijn gemoed. Aan fonkelende bergmeren, op verlate campings, in de hypermarché – overal achtervolgt mijn moeder me. Onmogelijk om bij in de buurt te zijn, onmogelijk om van los te komen.

Twee vrouwen

‘Een slopende versmelting’, noemt Rachel Aviv de moeder-dochterrelatie in haar deze zomer verschenen Onverbreekbaar. De journalist ontdekte dat haar reportages voor The New Yorker, vaak onbedoeld, draaiden om dochters die zich voor hun moeder verbergen, of om moeders die zich verliezen in zelfopoffering voor hun dochter. In het boek ontleedt Aviv deze intrigerende dynamiek tussen twee vrouwen. Een dynamiek die carrières voortstuwt en vrouwen tot grote hoogte laat stijgen, of zichzelf compleet doet vernietigen.

Rachel Aviv valt zelf in de eerste categorie: een dochter die de intellectuele ambitie van haar moeder heeft verwezenlijkt. De moeder van Aviv verlangde óók naar het leven als schrijver, dus huurde ze een huisje op het Amerikaanse platteland om een zomer lang te schrijven. Maar als haar dochter, 7 jaar oud en op zomerkamp, belt met ernstige heimwee (het kind verklaarde aan de telefoon dat ‘ze zichzelf wilde verdrinken’) breekt ze direct haar solitaire schrijversretraite af.

Uiteindelijk wordt er wél geschreven: moeder aan tafel, aan een essay dat nooit tot publicatie zal komen. Dochter, op de houten vloer aan een kort verhaal over een kind dat hysterisch veel van haar moeder houdt en haar daarmee een hartstilstand bezorgt.

Het moederschap, moet de zwangere Aviv twintig jaar later hebben gedacht, ‘mij zal het niet opslokken’. Haar researchmateriaal gaat mee naar het bevalcentrum, in het kraambed leest ze rechtbankverslagen en dagboekaantekeningen voor haar volgende artikel in The New Yorker.

En toch, ja tóch verandert ook Aviv door het moederschap en moet de journalist bij herlezing van haar oude materiaal constateren dat zij haar verhalen altijd heeft benaderd vanuit het ‘dochterperspectief’. De moeders heeft ze te weinig empathie gegund, de belangrijke details – een miskraam, een afgestane baby, een overleden kind – terzijde geschoven.

Dus koos Aviv voor een ongebruikelijke journalistieke aanpak: ze herzag haar reportages voor Onverbreekbaar. Ze dook weer in archiefmateriaal, sprak opnieuw met haar bronnen, om zo de verhalen compleet te maken.

Het dochterperspectief, zo voelt het in die auto op de Franse snelweg, houdt me gegijzeld. ‘Wacht maar tot je zelf moeder bent’, zeggen mensen dan. Dan zie je de wereld met andere ogen, ervaarde ook Aviv. Bevrijd van dat dochterperspectief kun je je moeder pas echt zien: als vrouw, als mens.

Maar wat als ik – een vrouw van 34 zonder kinderen – het verhaal nú compleet wil maken? Om voorgoed los te komen uit die ‘slopende versmelting’?

Als ik het familieportret van mijn jeugd voor de geest probeer te halen, blijven de herinneringen aan mijn moeder vaag. Zwijgend zie ik haar bewegen op de achtergrond, verzorgend, beschermend – meestal. Of ze is zó dichtbij dat ik haar nauwelijks scherp kan zien. Dan zuigt ze het wespengif uit mijn arm, likt vuiltjes uit mijn ogen of ligt naast me in mijn hoogslaper tot ik in slaap val.

Wat ik me wel sterk herinner: haar stemming die ik, nog steeds, haarfijn aanvoel – ook als ik 1.000 kilometer van haar verwijderd ben.

Clichéverhalen

Er is een manier van schrijven over de moeder-dochterrelatie, stelt Rachel Aviv in een interview met The Paris Review, die alleen maar sentimenteel is. Reducerend, voorbijgaand aan de ‘uniciteit’ van deze complexe relatie, en daarom: saai.

Zulke clichéverhalen, vul ik voor haar in, starten met de eerste menstruatie (het begin van het vrouw-zijn!) en draaien om het onontkomelijke lot dat de dochter, uiteraard, in haar moeder zal veranderen. Zo’n script eindigt met een geboorte, het perspectief kantelt, de dochter sluit vrede met haar lot.

Avivs portretten van moeders en dochters zijn allesbehalve cliché. Er is een vrouw die zich heeft teruggetrokken in een onbewoond vervallen landhuis te midden van een appelboomgaard. Drie maanden voedt ze zichzelf met appels en als de winter zich aandient, sterft ze aan ondervoeding. Aviv, ontdaan van het dochterperspectief, realiseert zich jaren na het schrijven van deze reportage dat ze een belangrijk feit over het hoofd heeft gezien. De psychotische vrouw was op jonge leeftijd bevallen van een dochter, in een tehuis voor ongewenst zwangere meisjes. Aviv ontdekt dat de jonge vrouw zelf óók is geboren in zo’n tehuis. De waanzin van de vrouw, realiseert de journalist zich, is een enigszins normale reactie op een absurde gebeurtenis.

De moeders in de overige zeven verhalen ervaren ieder hun eigen vorm van gekte. De befaamde psycholoog en onderzoeker Elizabeth Loftus verdedigt misdadigers in de rechtszaal (zoals: Harvey Weinstein), ondanks haar feministische idealen, met haar theorie over geconstrueerde herinneringen. De wetenschapper stelt dat slechts een ‘ijl gordijn’ onze fantasie van het geheugen scheidt. Herinneringen zijn daarom fundamenteel onbetrouwbaar.

Loftus’ leven, zo blijkt, is getekend door een nogal cruciale vervormde herinnering, namelijk die van haar moeders dood. Zij zou niet – zoals haar vader en andere familieleden beweren – zijn gestorven door suïcide, maar per ongeluk verdronken zijn in het zwembad. Loftus ontkent tegenover de journalist dat er zoiets plats als een trauma ten grondslag ligt aan haar afwijzing van de betrouwbaarheid van het geheugen. Maar als Aviv doorvraagt, geeft Loftus op een zeldzaam onbevangen moment toe dat ze misschien ooit nog onderzoek wil doen naar de vraag ‘waarom dit’ – het verlies van haar moeder – ‘nooit overgaat’, en of anderen dat ook zo ervaren.

En dan is er schrijver Alice Munro, Nobelprijswinnaar en veruit de beroemdste moeder in het boek, die openlijk toegaf dat ze haar schrijven verkoos boven de relatie met haar dochters. Sheila, de oudste, herinnert zich hoe haar moeder haar als peuter met één hand wegwuifde, terwijl ze met de ander doortypte. De middelste, Jenny, had het gevoel dat haar moeders schrijven reëler was dan hun eigen bestaan. Het gezin was in de eerste plaats materiaal, pas daarna kwam het leven.

Andrea, de jongste, zag toe hoe haar moeder haar ervaring – misbruik door haar stiefvader – op papier ‘verwerkte’ maar het verband met haar dochter ontkende. Als de dochter na jarenlang zwijgen opbiecht dat haar moeders partner haar vanaf 9-jarige leeftijd jarenlang heeft betast, verbreekt Munro de relatie met haar partner. Na een paar maanden keert ze bij hem terug – en spreekt niet meer met Andrea.

Als ik verder graaf naar herinneringen aan mijn moeder, komen er deze beelden boven. Ik ben een jaar of 2 en zit midden op de stoep. Mijn moeders krullen vallen op een verwassen Bob Dylan-T-shirt, haar roodgestifte lippen samengeperst. Om ons heen wandelen mensen naar hun werk met koffertjes in de hand en kranten onder de arm. We zijn in Chicago, jaren negentig, en zij loopt bij mij vandaan.

Nog zo’n beeld: mijn moeder die in de bijrijdersstoel, op een verlaten weg in de Dordogne, het portier opent om het rijdende voertuig te verlaten. Of: dat we samen in de bioscoop zitten en zij nog voordat de film is begonnen abrupt opstaat en de zaal verlaat.

Deze herinneringen zijn, ongetwijfeld, deels producten van mijn geest, collages die ik heb gemaakt van verhalen, foto’s en projecties. Maar die beweging, van mijn moeder die vanuit het niets opspringt en de deur achter zich dichttrekt, is de rode draad in het scenario van mijn jeugd.

Moederschap, het Instituut

Je hebt het moederschap – de ervaring van moeder zijn – en je hebt het Moederschap, het Instituut. Feminist en dichter Adrienne Rich maakte dit onderscheid in 1976 in haar beroemde en veelgeciteerde boek Of Woman Born. Deze zomer las ik het recent vertaalde Moederschap en dochterschap (een hoofdstuk uit dat beroemde boek, ingeleid door Lotte Houwink Ten Cate), volgens Rich ‘de kern van haar werk’.

Het Moederschap, schrijft Rich, is een roeping: heilig én verplicht – maar wel binnen een kerngezin met een man aan het hoofd. Zelfactualisatie is niet voor de Moeder weggelegd; zij moet doen aan volledige zelfopoffering. En dus slikt ze haar angst en razernij in en bekommert zich om de emoties van man en kinderen met de toewijding van, tja, een moeder.

De moeder is niet alleen slachtoffer van het Instituut, zij treedt óók op als vertegenwoordiger van dit regime. De moeder neemt de taak op zich om de dochter in te wijden en haar de regels van het Instituut te leren. Ze doet haar voor hoe zorgzaam en gehoorzaam te zijn, slank en schoon, voorzichtig en, in dit tijdsgewricht zoiets als net-assertief-genoeg om te krijgen wat je wilt, zonder dat de wereld je een ‘bitch’ vindt.

Het gevolg van deze dynamiek is matrofobie: angst van de dochter om haar moeder te worden. De moeder belichaamt immers de geketende vrouw – en de dochter gelooft dat zij zichzelf enkel kan bevrijden door haar radicaal af te wijzen. De tragedie is, uiteraard, dat die afwijzing van de dochter haar juist vastzet: zo dwingt ze zichzelf te definiëren als niet-haar-moeder. De vrouw die haar schrijverschap níét opoffert voor een kind. De vrouw die zich niet laat opslokken door man en kind. De vrouw die níét in een Volvo rijdt.

Onvoorspelbaar temperament

Al voor dat moment op de Franse snelweg had ik geprobeerd de symbiose te verbreken. Op een winderige dag in oktober, ik was 30, wandelden mijn moeder en ik door het bos. Een buitenstaander zou zien: twee bomberjacks, identieke scherpe tred. Die wandeling maakten we destijds wekelijks. Dan bespraken we mijn werk, mijn relatie, mijn angsten. Ergens in het gesprek vroeg ik haar iets, een verzoek, een lening – ik herinner me niet wat. Ze hield halt, haar ogen onherkenbaar, en snauwde: ‘Jij blijft maar vragen, en vragen. Jij maakt gebruik van mij.’

Ditmaal liep ík weg, keek niet om en blokkeerde haar telefoonnummer.

In die periode zonder contact verscherpte het beeld van mijn moeder. Niet langer was ze de zorgzame, onzichtbare moeder die vaak wegliep. Als ik uitzoomde, zag ik de contouren van een pathologie, van een schuldige. Mijn angsten, dat gevoel van stuurloosheid, concludeerde ik, kenden hun oorsprong in haar onvoorspelbare temperament, haar onvermogen om normaal haar grenzen aan te geven.

De goed genoege moeder

In mijn Instagramalgoritme popt de laatste jaren – het zal mijn leeftijd zijn – de ‘good enough mother’ op. De goed genoege moeder is niet zomaar een moeder die op Instagram imperfect durft te zijn en af en toe een slaapschema loslaat. Het begrip van de Britse psychoanalyticus Donald Winnicott is radicaler en vooruitstrevender dan dat, lees ik in het onlangs vertaalde Kind, gezin en buitenwereld.

Winnicott richt zich voornamelijk tot de moeder – we spreken over de jaren zestig – en vertelt haar dat zij op haar intuïtie mag vertrouwen. Goed genoeg moederschap, stelt de analyticus en kinderarts, heeft namelijk niets te maken met opvoedtheorieën of slaapschema’s. Sterker: zulke regels en normen voor het moederschap maken het onmogelijk om het kind te geven wat het nodig heeft. En dat uitdokteren, de behoefte van dat ene unieke individu, is de voornaamste taak van de moeder in de periode vlak na de geboorte. (Een modern mens zou zeggen: van beide ouders.) Daarom moet ze haar wereld klein maken, naar binnen keren en haar aandacht volledig richten op haar zuigeling, zodat de twee zich op elkaar kunnen afstemmen.

Daarna zal de moeder terugkeren naar haar eigen leven, schrijft Winnicott, naar haar eigen verlangens, ambities en prioriteiten. Daarmee zet een proces van onvermijdelijke verwijdering in, waarbij het kind leert dat het een individu is – en haar moeder ook. Wederom is er volgens Winnicott geen handleiding: de moeder móét tekortschieten op momenten dat de baby, en later het kind, dat aankan. Als dat goed gedoseerd verloopt, kan het kind ‘worden wie zij van nature is’. Gaat er iets mis – de distantie komt te vroeg of te abrupt – dan ontwikkelt een kind ‘een vals zelf’ en verbergt zich een leven lang achter analyse en neuroses.

Gevangen

Als ik nog verder uitzoom, zie ik de vader op het familieportret, de man achter het stuur. Mijn moeder leerde hem autorijden toen we in de Verenigde Staten woonden. Hij kon niet inparkeren en reed ter compensatie consequent te hard. Een vader die onhandig in mijn schouders kneep (ook al: te hard) als ik moest huilen. Die niet wist wat hij moest doen toen ik op Quatorze Juillet in Frankrijk – alle winkels dicht – voor het eerst ongesteld werd. Die mij weken niet aan kon kijken toen ik, een paar jaar later, aan mijn moeder opbiechtte dat ik overtijd was.

Een man die zich onmachtig en buitengesloten voelde in een gezin met alleen maar vrouwen. Een man die vluchtte in drank en de buitenwereld, die hoopte een goede vader te zijn door ‘zijn meisjes’ alles te geven waar ze naar verlangden.

Razend werd hij als mijn moeder urenlang mijn zusje troostte, woedend werd zij als mijn vader wéér avonden weg was. Ons familieportret was dat van een traditioneel kerngezin, de man als kostwinner, de vrouw als moeder – verstikt door de rol waar zij zichzelf in hadden geduwd. Een klem waarin allebei mijn ouders gevangenzaten.

Vorm van gekte

Moederschap, schrijft Aviv, zou je een soort ‘chronische referentiewaan’ kunnen noemen. Zoals een krankzinnige gelooft dat de nieuwslezer direct tot hem spreekt, denkt de moeder dat het gedrag van haar dochter een boodschap aan de moeder in zich draagt. Als Aviv haar moeder een stuk over geestesziekte stuurde, mailde haar moeder haar ervaringen met de zorg voor een suïcidale vriendin. Als reactie op een artikel over het huwelijk stuurt ze berichtjes over haar ruzies met haar echtgenoot.

Het moederschap, wil Aviv maar zeggen, ís op een bepaalde manier een vorm van gekte. Die contouren van een pathologie zijn snel getekend. Terwijl het kind zich stap voor stap van de moeder losmaakt, blijft zij in de interpreterende staat van paraatheid steken, nog altijd gespitst op signalen die niet langer voor haar bedoeld zijn. Die referentiewaan, zo lijkt me, is een gevolg van de wetten van Adrienne Rich’ Instituut Moederschap. De moeder mag zich niet losmaken vanuit haar eigen behoefte, om terug te keren naar haar autonomie. Zij moet geduldig wachten, vooral niet egoïstisch zijn.

Kiest zij zélf voor afstand, dan wordt zij al snel gepathologiseerd. Onder het bewind van het Instituut Moederschap is het dus vrijwel onmogelijk om Winnicotts ‘goed genoege moeder’ te zijn, en als moeder van een dochter een opgave om te ontsnappen aan de waanzin.

Voor de dochter is het, ondertussen, moeilijk om haar moeder te zien, schrijft Rich. Iedere dochter is verblind door de gestolde beelden en ideeën die er over vrouwen en moederschap bestaan, waarin voor de moeder ‘geen positief geconnoteerde plaats is weggelegd als actief verlangend en sprekend subject’.

‘Slopende symbiose’

Het familieportret, realiseer ik me, is niet compleet zonder de lens op de dochter achter in die auto te richten. ‘Je was overgevoelig’, zei mijn moeder eens toen ik haar vroeg wat voor kind ik was. ‘Jij had altijd steun nodig, kon dingen niet goed alleen.’ Bij die woorden voel ik: woede, onrecht. Dat is niet wáár, wil ik uitroepen.

Beelden van de auto drijven weer naar boven. Ergens achter in mijn bewustzijn ligt de herinnering opgeslagen dat ik me hulpelozer voordeed dan ik in werkelijkheid was. Dat ik, achter in de auto, vroeg om haar aanraking, haar geduldig strelen, omdat ik anders wagenziek zou worden. En dat ik, diep vanbinnen, nog steeds geloof dat mijn moeder mij nodig heeft om voor te zorgen, als een raison d’être. Dat ik, met een rijbewijs en eigen leven, nog steeds stuurloos ben zonder haar begeleiding – omdat zij afhankelijk zou zijn van haar rol als moeder.

Zo houd ik ons, onbewust, allebei gegijzeld in ‘die slopende symbiose’, in een rolverdeling waar we beiden verlost van willen zijn, maar ons niet van los kunnen maken, uit angst dat de ander de eenzaamheid niet zou kunnen dragen. De klem van het kerngezin zet niet alleen vader en moeder vast in het familieportret – het hele gezin zit gevangen in projecties en archetypen, inclusief de dochters achterin.

Reservebank

Clichés bestaan omdat ze een universele waarheid bevatten, zegt men dan, jawel, clichématig. Maar het wonderlijke van de mens, om nog maar een cliché op te dissen, is dat die beschikt over verbeeldingskracht. Archetypen als de zorgzame moeder en de hardwerkende vader zijn, gelukkig, sinds het huwelijk van mijn ouders veelvuldig weerlegd.

Als ik Rich of Aviv lees, blijft er bij hen één allesoverstijgend cliché overeind: dat van de bijzonderheid van het moederschap. Het moederschap met een kleine letter, impliceren zij, is alleen van binnenuit kenbaar. Daarmee blijft de ervaring voor een buitenstaander – de vader, de dochter zonder kinderen – afgesloten. Schrijvers maken dat moederperspectief de afgelopen jaren veelvuldig zichtbaar in boeken en essays nadat het jarenlang is verzwegen. Daarmee werpen zij licht op die ervaring, maar de boodschap blijft tussen de regels: je moet het beleefd hebben om het écht te begrijpen.

Als ik af wil van mijn matrofobie, van mijn dochterperspectief – en wij collectief van de beperkende wetten van het Instituut Moederschap – zullen we bereid moeten zijn om óók het moederschap met een kleine letter van zijn exclusiviteit te ontdoen. Het oercliché oprekken en openen, om ruimte te bieden aan anderen. Zoals: het gezinslid dat zich, als we niet oppassen, al vanaf dag één buitengesloten voelt door die onovertrefbare ervaring van een zwangerschap en bevalling. De vader die zich in zijn machteloosheid en onhandigheid maar op de buitenwereld richt.

Mannen zorgen meer voor kinderen dan ooit, maar nog steeds gaan zij niet de straat op om écht gelijkwaardige zorg op te eisen. Dat heeft, denk ik, te maken met dat gevoel van machteloosheid, het gevoel op de reservebank gezet te zijn door de natuur, buitengesloten van dat unieke moederschap.

Zó onkenbaar is die ervaring van het moederschap namelijk niet, bewijst psychoanalyticus Donald Winnicott. Een diepgaand begrip van de behoefte van zuigelingen en verzorgers, van moeders én dochters is mogelijk – ook als je een man bent, of, zoals Winnicott, kinderloos. Zolang je maar goed kijkt en je niet laat verblinden door projecties en maatschappelijk opgelegde verwachtingen.

‘Wat is jouw moeder toch autonoom.’ Een vriendin had haar zien zitten, aan het raam van haar vaste café, in haar zelfgemaakte geruite broek, met haar korte haar. Op tafel Zijn en tijd en een volgeschreven notitieboek.

Plots zag ik haar, van een grotere afstand, het gezichtspunt van een vrouw die niet haar dochter was. Een vrouw die haar eigen dagen vormgeeft, onafhankelijk van de wil van een man, van haar kinderen, van de maatschappij die van haar, een weduwe, vraagt dat ze ‘doorleeft’ – in de vorm van een tweede huwelijk. Sindsdien zie ik mijn moeder met enige regelmaat. We zijn gestopt met het voeren van gesprekken. Als ze langskomt, drinken we thee, zij aan zij, zo goed als woordeloos. Soms masseert ze mijn voeten, ik op de bank, zij op de grond. Als ze na een uurtje weer vertrekt, zijn haar wangen roze, de kabels in haar hals verzacht. Ze houdt me vast voor het afscheid, nooit te lang, nooit te kort. En de deur valt in het slot achter haar, geruisloos.

Adrienne Rich: Moederschap en dochterschap. Uit het Engels vertaald door Maaike Meijer en Marta Vooren. Nijgh & Van Ditmar; 104 pagina’s; € 15.

Rachel Aviv: Onverbreekbaar – Verhalen over moeders en dochters. Uit het Engels vertaald door Henny Corver en Ineke van den Elskamp. Atlas Contact; 256 pagina’s; € 23,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next