Poëzie Lucas Rijneveld schrijft dichtregels die soms balanceren op het randje van het sentimentele, maar die het al te zoete ook met een diepe ernst laten schuren, in een ontroerende zoektocht naar houvast.
Meestal zijn titels van gedichten en dichtbundels niet iets om lang bij stil te staan. Na Totaal witte kamer (bedankt, Gerrit) lijken alle titels te vaag, of juist uitleggerig, te zeer op zoek naar betekenis. Over Als zee uit hond van Lucas Rijneveld (1991) heb ik lang nagedacht en ik ga er waarschijnlijk te lang over doorschrijven. Ik vermoed dat er een levensvraag in besloten ligt: hoe je, ondanks verlies en eenzaamheid, als mens kunt bestaan, een vraag die niet alleen in deze bundel, maar ook in het eerdere werk van Rijneveld een grote rol speelt.
Lucas Rijneveld: Als zee uit hond. Atlas Contact, 62 blz. € 22,99
De eerste manier om de titel te lezen is als analogie, zoals die ook functioneert in het gelijknamige gedicht in de eerste afdeling van de bundel. Hierin staat de ik te overdenken hoe hij „knapenzeer” van zich heeft afgeschud „als zee uit hond”:
En nu hier, sneeuwvrij van alle beletselen,waarbij ik het knapenzeer van mij heb afgeschud als zee uit hond, besef ik datvoorspoed altijd een sluiproute kiest,dat hij je graag overvalt, zodat je hemniet voor lief neemt, en dwaas als ik benis de ontroering iedere keer weer fors,alsof ik nooit zoiets moois, alsof mijnlongen nog niet eerder zonder vluchtluchtgevuld zaten.
Het zeer is even afgeschud, als vocht uit vacht. Er is ruimte voor een broos soort geluk, al heeft die een sluiproute moeten nemen om de ik te bereiken.
Dus sta ik hier mettraanogen, een godvruchtig mens(voor de gelegenheid mag ik mezelf zonoemen), wetende dat ik mij straks zalomdraaien en weer overga tot de dagelijksegang van zaken, maar niet zal vergetendat ik hier als gewone jongengelukkig, o zo gelukkig, stond te wenen.
Ontroerd als hij al was, heeft hij nu ook nog traanogen. Het is een kwaliteit van Rijneveld dat regels die balanceren op het randje van het sentimentele, of gewoon sentimenteel zijn, verteerbaar blijven. Door het al te zoete met een diepe ernst te laten schuren, komt het zwelgen in eigen ontroering niet alleen over als een pose, maar ook als een oprecht – en ja, ontroerend – zoeken naar houvast.
Is het „knapenleed” – tegen de achtergrond van de gendertransitie die Rijneveld heeft doorgemaakt is dat geen eenduidig begrip – wel zo makkelijk af te schudden, als water uit de vacht van een hond? En is de hond dan droog, komt het zeer niet meer terug? Of springt de hond zo de zee weer in, moet het lijden eraan en het afschudden ervan worden gezien als een voortdurende beweging? Het is mooi dat niet alles wordt ingevuld, maar dat vragen zich buiten het gedicht voortzetten.
Het geluk dat de ik ervaart om een „gewone jongen” te kunnen zijn, is wrang en allesbehalve sentimenteel als je je realiseert welke weg Rijneveld heeft afgelegd om dit eenvoudig aandoende zinnetje te schrijven. Misschien is het zelfs zo dat daardoor het smartlap-achtige van het gedicht een nieuwe betekenis krijgt. Het geeft uitdrukking aan het verlangen om deel uit te maken van wat in de samenleving een cliché is, juist wanneer je daartoe niet vanzelfsprekend toegang hebt gekregen.
Op zinsniveau is het intrigerend wat „als zee uit hond” aan associaties teweegbrengt. Er staat geen ‘zeehond’, maar deze wordt door de opeenvolging van ‘zee’ en ‘hond’ wel opgeroepen. Of zie ik zeehonden waar er geen zijn?
Rijneveld beschrijft in het openingsgedicht ‘Het Hagellot’ wat er kan gebeuren als je de zeehonden toelaat en je laat overweldigen door vragen en gedachten: het hoofd van de dichter bevat een „knetterende kosmos”. De dichter beschrijft zich in dit gedicht als (angst)haas, op de vlucht voor een schot. De dichterhaas of haasdichter probeert zich te verstoppen achter de rug van een poortwachter die zegt geen God te zijn:
Maar de rug is niet groot genoeg voor het bangelijke zelf,daarbij zegt de poortwachter: Ik ben de Beschermer niet.Wel vraagt hij hoe het voelt, en ik antwoord: Als paniekeen thermometer had, dan bereikte het kwik het kookpunt.
Met mijn poten houd ik dan mijn kop vast, fluister nog:Alsof de hele kosmos hier binnen woont en hetMelkwegstelsel met elektronica is aangelegd,er kortsluiting ontstaat en het knettert, het knettert zo.
Hoewel het knettert in het beschreven hoofd, is dat minder het geval in de gedichten zelf. De gedichten hebben een zekere traagheid, alles wordt goed ingeleid en uitgelegd. Plotselinge wendingen, nadrukkelijker aanwezig in het eerdere werk van Rijneveld, blijven uit. Deze gedichten spreken eerder van een verlangen om te sprankelen en knetteren dan dat ze dat zelf doen.
De traagheid past bij wat de gedichten willen uitdrukken. Er is een verlangen om zwaarte af te schudden, als hond uit zee. Maar steeds sluipt de zwaarte van het bestaan weer de gedichten binnen.
Het gedicht ‘Voor Grommer’ beschrijft heel mooi hoe eenzaamheid ook binnen een relatie kan bestaan.
Weet nog de dag dat jij een hond mijn hoofd tot mand,dat jij daar liggend je aan geen enkele angstdroom stoorde.Niet eens aan die ene over een totaal lege kamer die me metzes armen benauwend omhelsde of fluisterde dat ze pas loszou laten als ze mijn lievelingsmens mocht worden, hoewel zewist dat een lievelingsmens uit 1,7 m2 bestaat en dat een kamereen kamer is, hoe ik haar ook zou stofferen. Of de droomwaarin mijn hart goddeloos verloren aan de straat lag […]
Andere dichters komen hier en ook in andere gedichten als echo’s voorbij, alsof zij iets kunnen inbrengen wat in de liefde niet gevonden wordt.
De ’totaal lege kamer’ refereert als angstbeeld van verlatenheid bijvoorbeeld aan ‘Totaal witte kamer’ („Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken/ nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik”) waarin Kouwenaar een kamer oproept als het leven dat hij met zijn overleden geliefde wil blijven delen. Rijneveld laat open of het feit dat Grommer zich niet stoort aan zijn angstdromen troostend is of juist niet. Zonder hem uit te spreken, wordt de vraag opgeroepen in welke mate inleving en vereenzelviging binnen een relatie wenselijk zijn. In dat niet-weten schuilt misschien wel de diepste eenzaamheid.
In het gedicht ‘De vloed tegemoet’, uit het laatste deel van de bundel, zet de dichter de woorden ‘als zee uit hond’ in als beschrijving van afscheid: „Als zee uit hond ben ik je kwijtgeraakt,/ schudde die ene nacht uit mijn zomervacht/ vergat de deining, vergat het zout en zong/ het refrein uit ‘De vondeling van Ameland’.”
Wanneer ik de dichtregel „Als zee uit hond ben ik je kwijtgeraakt” niet helemaal uitlees, zie ik ook: „Als zee uit hond ben ik” – een zelfbeeld. Het is prachtig dat de vergelijking een reis of transformatie heeft gemaakt van een aanvankelijke beschrijving van (het losmaken van) leed, via verlies, naar het idee van een ik. Hierdoor kan de titel van de bundel uiteindelijk ook aangeven: ik besta als zee uit hond. De vergelijking biedt daarmee niet alleen een beschrijving van leed en verlies, maar ook een bevrijdende bestaansvorm. Het ik is niet vastomlijnd. Je kunt bestaan als zee uit hond, als angst uit haas, als mens uit verlangen.
De gelaagdheid van deze bundel wordt haast weigerachtig aangereikt. Rijneveld riskeert daarmee te veel te vertrouwen op wat de lezer buiten de gedichten van hem weet om invulling te kunnen geven aan wat er (niet) staat. Misschien blijf ik juist daardoor geïntrigeerd herlezen. Want speelt de dichter niet bewust met welke rol hij moet aannemen, binnen en buiten de gedichten?
Je kunt alles verdragen, […]maar jezelf verstouwen, dat lompeen te zware hart meesjouwen, dat gehakketakover alle verlangens naar het kassiewijle,over lak hebben aan wat je ten diepste zouwillen geloven, over de donkerte en iedereendie wil bijschijnen uitdoven, ja, je kunt allesverdragen maar jezelf, nee, jezelf (nog) niet.
Deze ik-figuur moet nog invulling geven aan zichzelf, en doet dat op overtuigende, zoekende wijze.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie