Home

Theatertalent Simme Wouters heeft een grote voorliefde voor feilbare personages die, net als hijzelf, een beetje uit de pas lopen

Theatermaker en schrijver Simme Wouters maakte furore met filosofisch en fantasierijk muziektheater bij Orkater. Sinds kort ontwikkelt hij zich ook als – razend succesvol en meteen veelvuldig bekroond – liedjesschrijver.

schrijft voor de Volkskrant over theater.

‘Ik weet dat ik niet in elk lied de hele wereld hoef te stoppen.’ Simme Wouters (29) peinst even voor zich uit, krabbelt dan iets in de kantlijn van het lied in wording dat hij zojuist heeft voorgelezen. Dat lied, vertelt hij, gaat over een man die zo veel nadenkt, dat hij op een gegeven moment bedenkt dat alles al is bedacht. ‘En dan realiseert hij zich dat hij dus ook alles opnieuw kan bedenken. Vervolgens begint hij met het herscheppen van de wereld.’ Na een stilte: ‘Ik vind het soms moeilijk om een lied klein te houden.’

Het is het begin van de zomer. Wouters zit in het kantoor van het Amsterdams Kleinkunst Festival, vlak bij het Vondelpark in Amsterdam. Tegenover hem aan tafel zit Jurrian van Dongen, befaamd liedjesschrijver en begeleider van Club Shaffy, een nieuw ontwikkeltraject voor aanstormende liedjesschrijvers.

De zeer getalenteerde en eigenzinnige theatermaker, schrijver en multi-instrumentalist Simme Wouters werd met vijf anderen uit ruim honderd aanmeldingen geselecteerd. Een schot in de roos: met prachtige luisterliedjes vol melancholie en onbevangen verwondering bewees Wouters meteen een kleinkunstkanon in de dop te zijn.

Piepklein theatertje

Samen met Ruud Douma, Ivar van der Walle, Albert Meijer, Else Lena Ottens en Jikke Schepers werkt hij bij Club Shaffy een jaar lang aan nieuwe, Nederlandstalige kleinkunstliedjes. Verspreid door het jaar presenteren ze nieuw materiaal in Theater De Richel (voorheen Betty Asfalt Complex), een piepklein theatertje in hartje Amsterdam. Maandagavond is de derde presentatie.

De veelzijdige Simme Wouters ontpopte zich de afgelopen jaren in vooral kleine zalen al tot groot theatertalent, bij wie meteen duidelijk was dat er nog veel in het vat zit. Hij onderscheidt zich met fantasierijk, talig muziektheater, dat tegelijkertijd filosofisch, komisch, intelligent, ontroerend en overweldigend absurd is.

Bij het toonaangevende theatergezelschap Orkater maakte hij samen met zijn goede vriend en artistieke zielsverwant Jasper Stoop drie lovend ontvangen voorstellingen over de wankele mens. Op dit moment schrijft hij zijn eerste grotezaalvoorstelling voor het gezelschap.

Kleinkunstliedjes

Maar onlangs besloot Wouters ook zijn oude liefde weer op te pakken: kleinkunstliedjes maken. Want dat was de ambitie die hem als begintwintiger van Mortsel, een klein dorpje onder de rook van Antwerpen, naar de Amsterdamse toneelschool dreef. ‘Als kind was ik altijd met muziek bezig. Ik heb zelfs nog toelating voor het conservatorium overwogen, maar dat was veel te hoog gegrepen. Eenmaal op de toneelschool ontdekte ik mijn liefde voor theater en acteren, en kwam het liedjesschrijven op een lager pitje te staan.’

Daar is inmiddels verandering in gekomen. Hij schreef op verzoek al enkele liedteksten voor andere artiesten, zoals Marie-Mae van Zuilen en Sarah Janneh. Het lied De dag dat ik gevonden word, dat hij schreef voor Jannehs gelauwerde theatervoorstelling Brabo Leone, werd dit jaar zelfs genomineerd voor de Annie MG Schmidtprijs, de felbegeerde prijs voor het beste theaterlied van het afgelopen jaar.

Nu was het tijd om zelf zijn liedjes voor publiek te zingen, vond hij. Eerst in de luwte, in kleine zaaltjes zoals Theater De Richel. ‘En misschien volgende zomer een kort liedjesprogramma op theaterfestival De Parade’, fantaseert Wouters.

Net als in zijn theatervoorstellingen maken we in zijn liedjes kennis met lieve, naïeve personages die een beetje uit de pas lopen. Een van de eerste liedjes die hij voor Club Shaffy schreef, heet Boris. Het gaat over een jongen die het liefst naar iedereen die hij tegenkomt op straat zou willen zwaaien, maar zich inhoudt. Niet omdat hij begrijpt waarom mensen geen contact met elkaar maken, maar omdat hij snapt dat het nu eenmaal zo is. ‘Dus Boris houdt zijn ogen op de grond/ hij houdt wijselijk zijn mond.’

Aan het eind van het lied zit Boris bij de opera op de eerste rij, als enige met zijn hoofd weggedraaid van het podium: hij kijkt ademloos naar alle mensen die ademloos kijken naar een opera.

Underdogs

Ook de theaterstukken die hij met Jasper Stoop maakte, worden bevolkt door dit soort buitenissige, feilbare underdogs die je snel in je hart sluit. In De grote Ricardo (2026) was dat een overmoedige goochelaar die bang is voor de realiteit, in Het nut van Edo Dompelmans (2023) een kringloopmedewerker die uit liefde voor het waardeloze weigert zijn spullen te verkopen. Allemaal goedbedoelende verloren zielen, die voelen dat ze niet helemaal samenvallen met de wereld om hen heen.

Dat herkent hij uit zijn eigen jeugd, zegt Wouters. ‘Als kind had ik ook sterk het gevoel dat ik een buitenbeentje was. Inmiddels weet ik dat heel veel mensen zich zo zien, dus dat we als buitenstaanders enorm in de meerderheid zijn.’

Een verbroederend idee, vindt hij. Dus wil hij met zijn werk een lans breken voor het abnormale en hoopt hij dat toeschouwers het absurde in zichzelf gaan omarmen. ‘Ik denk dat veel mensen geneigd zijn om op de rem te trappen als ze zichzelf betrappen op eigenaardige gedachten. Terwijl het juist veel nieuwe werelden of originele ideeën kan ontsluiten als je jezelf toestaat om eigenaardig te zijn.’

Wouters was een dromerig kind. ‘Ik ben ontelbaar veel jassen kwijtgeraakt en heel vaak verdwaald. Geregeld moesten mijn zussen op me wachten omdat we bijvoorbeeld een wafelkraam waren gepasseerd en ik dan gewoon stopte met lopen en over wafels begon te fantaseren. Voor ik het wist waren er vijf minuten voorbijgegaan.’

Meerjarenplan

Als tegenreactie daarop is hij later juist extreem gestructureerd geworden. Hij meldde zich bij de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie met een uitgedacht meerjarenplan. ‘Ik had heel sterk het gevoel dat mijn ontwikkeling als kunstenaar na die vier jaar toneelschool af moest zijn.’

Dat herinnert Jurrian van Dongen zich nog goed. Als docent en mentor van de opleiding, moedigde hij Wouters aan zichzelf meer te ontregelen. ‘De controlfreak moest eruit.’ Dat gold ook voor de teksten die hij in die beginperiode op de toneelschool schreef, zegt Van Dongen. ‘Simme had een heel uitgesproken, typisch Vlaamse schrijfstijl: erg verzorgd, beetje wollig soms, veel mooischrijverij. Wat vooral opviel: alles was keurig volgens de regels. Maar daardoor was het ook vaak onpersoonlijk. Hij heeft hard moeten werken om niét te voldoen, slordiger te durven worden, van zichzelf een falend mens te mogen zijn.’

Op de toneelschool ontmoette hij Jasper Stoop, die direct was gegrepen door het ‘oneindige hoofd’ van zijn schoolgenoot. ‘Tijdens de opleiding ontdekten Simme en ik al snel dat we allebei vooral geraakt werden door voorstellingen die over troost gingen. Uiteindelijk proberen we dat nu zelf ook altijd te maken: troostrijke odes waarin de toeschouwer zich gezien voelt. We willen eigenlijk altijd iets maken waar we zelf ook een beetje van moeten huilen.’

Verbeelding werd een belangrijke factor in Wouters’ werk: enerzijds als een troostrijk toevluchtsoord voor miskende personages, anderzijds als een gevaarlijk afweermechanisme dat angst en onbehagen juist aanwakkert, en waarin je genadeloos kunt vastdraaien. Het lukte Wouters met de jaren steeds beter om die uitersten met elkaar te verenigen, waardoor zijn teksten elke keer aan diepte en rijkdom wonnen.

Valkuil

Zijn liefde voor taal bleef volgens hemzelf altijd zijn grootste valkuil. ‘De eerste voorstellingen die ik schreef waren daardoor best abstract, ik verloor me nog wel in opstapelende metaforen.’ Later kwam daar verandering in. ‘Nu staan personages met beide benen op de grond: ze hebben ouders, staan in winkels. Er is nog steeds veel ruimte voor metaforen en verbeelding, maar het landt in een herkenbare realiteit.’

Hij noemt dat ‘concrete’ poëzie. ‘Toon Tellegen vind ik daar een goed voorbeeld in. Hij schrijft met een enorme liefde voor taal, metaforen en symboliek, maar elke zin is ook altijd heel tastbaar. Er zit geen enkele vaagheid in.’

Zolang er een duidelijke bedding is, ontdekte Wouters, kun je jezelf veel vrijheid permitteren. Dat was een bevrijdende realisatie. ‘Ik heb ook wel van die screenwriting-bijbels gelezen van gerenommeerde filmschrijvers zoals Robert McKee, met allerlei regels en wetten voor scenarioschrijven, zoals kill your darlings (schrap geliefde passages die niets toevoegen, red.). Ik snap het hoor, en het zal voor film ongetwijfeld ook sterker gelden, maar ik ben zo blij dat ik voor een medium schrijf waarin er nog zo veel meer mogelijk is, waarin verbeelding vrijuit kan bestaan.’

Hij heeft ook ‘een soort rebellie’ ontwikkeld tegen dat hele transactionele, functionele realisme, geeft hij toe. ‘Ik hou soms juist bewust een paar darlings wél erin, omdat ik denk: dit detail heeft geen enkele functie binnen het geheel, en juist daarom verrijkt het de wereld die ik oproep.’

Volgens Van Dongen zijn Wouters’ fantasierijke stukken een welkome verademing in een theaterlandschap waarin letterlijkheid en autobiografie steeds meer terrein winnen. ‘In die overvloed aan egodocumenten en stukken die alleen maar rond het eigen dagboek draaien, is Simme eindelijk weer iemand die verbeelding gebruikt voor een diepgaand onderzoek van de menselijke ziel.’

Woekerende twijfels

Op de eerste presentatieavond van Club Shaffy, eerder dit jaar in Theater De Richel, maakte Wouters bijvoorbeeld grote indruk met een lyrisch lied over een man die besluit om van zijn woekerende twijfels, zorgen en onzekerheden een anker te smeden. Hij sleept dat anker vervolgens naar de zee, en gestrand aan de waterlijn weet hij zich ineens getroost door het besef dat het altijd opnieuw zal beginnen met stormen, en dat al die stormen ook altijd weer zullen gaan liggen.

Mededeelnemer Ruud Douma is onder de indruk van het werk van Wouters, zegt hij een paar weken later tijdens de werksessie op het kantoor van het Amsterdams Kleinkunst Festival, waar ze in kleine groepjes elkaars teksten bespreken. ‘Ik hoop ooit de vrijheid te krijgen die jij hebt als je schrijft’, verzucht Douma.

Grappig, zegt Wouters: hij vindt zichzelf bij het schrijven van deze liedjes juist heel vormvast. ‘Ik schrijf heel erg op metrum en rijm. Wel gebruik ik trucjes om mezelf te ontregelen. Bijvoorbeeld door niet het klassieke sinterklaasrijmschema AABB aan te houden, maar ABCABC, waardoor het meteen spannender aanvoelt. Of door het rijmwoord soms ineens halverwege de zin te zetten, in plaats van op het eind.’

Met de droom van een eigen liedjesprogramma in zijn achterhoofd, is Wouters’ grootste uitdaging nu om ook ‘kleinere liedjes’ te schrijven, over afgebakende onderwerpen. ‘Als publiek zeven keer achter elkaar de hele wereld in zijn gezicht gesmeten krijgt, raakt het murw. Dan komt niets meer binnen.’

Van Dongen is het daarmee eens. Hij herkent de ‘volledigheidsmanie’ van zijn jongere collega. ‘Ik vind het ook lastig om een onderwerp klein te houden. Maar het is leerzaam om je ook eens echt te beperken tot één klein stukje van een gedachte. Wat kun je vertellen in een lied van twee minuten? Met andere woorden: schrijf ook eens een lied dat níét ontspoort.’

AKF Club Shaffy, 2/11 en 7/12 in Theater De Richel in Amsterdam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next