De herziening van de belastingheffing op vermogen dreigt broddelwerk te worden. Wie trekt op tijd aan de rem?
In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.
Het is altijd wennen als de regels voor de belastingheffing worden gewijzigd. De Belastingdienst moet de ICT-systemen aanpassen, belastingbetalers moeten studeren, banken moeten andere gegevens aanleveren. Fouten zijn in het begin niet te vermijden.
Dat is ook niet erg, analyseert de Raad van State maandag in zijn advies over het kabinetsvoorstel om de belasting op vermogensrendement te veranderen. ‘Normaal gesproken kan dit worden beschouwd als investering voor de toekomst, zodat na enkele jaren van trial-and-error een nieuwe systematiek voldoende is ingeburgerd om voor langere tijd zijn werk te kunnen doen.’
Maar dat is gebaseerd op de situatie die vroeger nog wel voorkwam, waarin kabinet en parlement na een grondige voorbereiding, een zorgvuldige weging van alle voor- en nadelen en uitgebreid overleg met de Belastingdienst tot nieuwe langjarige belastingmaatregelen besloten. Haast is daarbij niet verstandig. Voortdurend de plannen veranderen evenmin.
Dat is precies wat nu wel gebeurt met de ‘box 3-voorstellen’ van het kabinet-Jetten. Eerst was er het wetsvoorstel waarin vermogensaanwasbelasting (elk jaar afrekenen over de vermogensgroei in het jaar ervoor) dominant zou worden. Dat lag al in de Eerste Kamer toen minister Eelco Heinen van Financiën het pardoes onderuit trok met de aankondiging dat het anders moest. Vermogenswinstbelasting (pas afrekenen als het rendement is uitbetaald) krijgt een grotere rol, maar nog niet voor alle vormen van vermogen.
Dat complexe hybride stelsel probeert hij te regelen met een ‘novelle’ (een nagekomen wetswijziging), waarvan het lot echter zeer onzeker is omdat de benodigde financiële dekking nog niet geregeld is in de Tweede Kamer. De Eerste Kamer wacht al maanden op duidelijkheid. Niettemin dringt het kabinet onverminderd aan op een parlementaire spoedbehandeling omdat het per se per 1 januari 2028 geregeld moet zijn. Dat is overigens slechts een tussenstap, want per 2030 zou de vermogenswinstbelasting dan echt voor alle soorten vermogens geregeld moeten worden.
Van alle kanten stapelen de waarschuwingen zich op dat dit een ongeluk in wording is. De banken melden dat zij in elk geval voor het jaar 2028 niet de gegevens kunnen leveren die nodig zijn voor het bepalen van de vermogenswinst op beleggingsportefeuilles. Zij hebben minstens achttien maanden voorbereidingstijd nodig, onder meer om hun ICT-systemen aan te passen. Dat is in Heinens tijdpad al niet meer haalbaar.
De Belastingdienst zelf toetste de novelle op vijf uitvoeringseisen en gaf op alle vijf een negatief oordeel. In elk geval voor het jaar 2028 beschouwt de dienst het uitbreiden van de vermogenswinstsystematiek als ‘onuitvoerbaar’. Maandag voegde de Raad van State daaraan toe dat het kabinet slecht heeft gemotiveerd waarom voor verschillende vermogensbestanddelen verschillende belastingregimes gaan gelden (rechtszaken dreigen) en dat ook het risico op belastingontduiking groeit.
Zo’n reeks rode vlaggen bij een ingrijpend wetsvoorstel, dat komt niet vaak voor. Nu het plan deel uitmaakt van alle politieke machinaties rond het Belastingplan voor 2027, is er natuurlijk een kans dat het de Tweede Kamer ondanks alles passeert.
In dat geval wordt dit binnenkort een gouden kans voor de Eerste Kamer om haar waarde als bastion tegen broddelwetgeving weer eens te bewijzen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant