De Zweedse dirigent Herbert Blomstedt is woensdag overleden, meldt zijn management. Hij was een van de voornaamste dirigenten en, helemaal bijzonder, hij stond als bijna-honderdjarige nog op de bok, fit als een hoentje.
Wie Herbert Blomstedt op z’n 88ste het Concertgebouworkest zag dirigeren in een bruisende uitvoering van de Negende symfonie van Antonín Dvořák, kon anno 2016 bekropen worden door de illusie dat de Zweed op de bok het eeuwige leven had. Zijn optreden was alleen al in statistische zin opmerkelijk: Blomstedt was op dat moment de oudste dirigent die ooit het Concertgebouwpodium betrad.
De statistiek werd almaar opmerkelijker. Jaar na jaar keerde Blomstedt terug bij het Concertgebouworkst, schijnbaar leeftijdloos, maar telkens zijn eigen record brekend, met Beethoven (Blomstedt was 89), met Berlioz (Blomstedt 90) en Brahms (91), in uitvoeringen die ontvangen werden als imposant, energiek en verpletterend.
In de categorie ‘dirigenten grand cru’ zat alleen de twee jaar jongere Haitink hem op de hielen, maar hij stopte al op z’n negentigste. De agenda van de Zweed was bovendien voller: met 90 jaar gaf hij zo’n 90 concerten per seizoen.
In mei werd hij onwel tijdens een concert met het San Francisco Symphony. Hij zakte in elkaar, maar het concert kon toch worden hervat. Er stonden nog concerten gepland voor als hij dik in de 100 was, maar de laatste maanden moest hij die om gezondsheidsredenen laten schieten.
Op 99-jarige leeftijd is Blomstedt woensdag, thuis in Göteborg, teruggekeerd tot de Schepper van Wiens almacht hij al maatzwaaiend getuigenis aflegde. Grote muziek beschouwde de zevendedagsadventist Blomstedt als een uiting van de Heer.
Hij voelde zich als dirigent een ‘zendeling’, een ‘visser van mensen, net als Petrus’ – zonder overigens deze visie in woorden over te dragen op de musici van de orkesten waarmee hij mee werkte. Zij kenden hem vooral als een hoeder van muzikale rechtlijnigheid en speltechnische kwaliteit.
Blomstedt werd in 1927 geboren als zoon van een Zweedse predikant in Massachusetts in de Verenigde Staten. Het gezin keerde twee jaar later terug naar Zweden, waar Blomstedt opgroeide en onder het argwanend oog van zijn vader ‘tijdelijk’ de muziek in mocht. Masterclasses bij Igor Markevitch en Leonard Bernstein maakten hem rijp voor dirigentenbanen in Norrköping, Oslo en Kopenhagen, zonder dat hij er buiten Scandinavië opzien mee baarde.
Een beslissende wending nam Blomstedts loopbaan toen hij chef-dirigent werd van de vermaarde Staatskapelle Dresden in de toenmalige DDR. De muzikale fijnslijperstraditie van het Oost-Duitse toporkest en Blomstedts bedrijfszekerheid in het 19de-eeuwse kernrepertoire, bleken elkaar te versterken.
Toen dit via Oost-Duitse plaatopnamen duidelijk werd, was de Zweed de vijftig reeds gepasseerd. Het grote platenlabel Decca was er niettemin als de kippen bij toen Blomstedt in 1985 Edo de Waart opvolgde als chef in San Francisco, en zich begon te profileren als expert in Beethoven, Brahms en Bruckner en als pleitbezorger van Scandinavisch werk.
Debuten bij het Rotterdams Philharmonisch (1983) en het Concertgebouworkest (1984) leidden intussen tot gevarieerd perscommentaar (‘zielloos vakmanschap’). Bij een uitvoering van de Derde symfonie van Beethoven door het inmiddels koninklijke Concertgebouworkest in 1997 (NRC: ‘lauw’) dichtte Het Parool de toen 69-jarige dirigent een leeftijd toe van 133.
In Amsterdam keerde hij pas zes jaar later terug, toen het KCO ruzie kreeg met zijn toenmalige chef, Riccardo Chailly. Blomstedt bleek bereid om de complete tournee door Amerika over te nemen.
Het vervolg zou onderwerp moeten worden van specialistisch gezondheidsonderzoek. In 2005 bevrijd van zijn laatste chefschap, bij het Gewandhausorchester in Leipzig, vierde Blomstedt een wedergeboorte als wonder-oudere. Een reizend fenomeen, vervuld van intense religieuze gloed, gesterkt door vegetarisme, en verzot geraakt op kwiek voortrazende tempi, zoals Beethoven ze ooit voorschreef in oude metronoomaanduidingen.
Blomstedts eis? Karnemelk in de kleedkamer.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant