Home

De oude, vervuilende industrie lekker laten uitsterven? Zo werkt het niet, dan valt de hele jengatoren om

Wederzijdse afhankelijkheid De chemische industrie in Nederland is in hoge mate geïntegreerd: honderden bedrijven werken samen, soms zitten ze letterlijk aan elkaar vast. Wat altijd een kracht was, dreigt nu een zwakte te worden doordat steeds meer fabrieken sluiten. „Wanneer realiseren we ons: oh, dit was één jengablokje te veel?”

„De eerste keer dat ik hier stond, dacht ik: oeps, dit is wel groot”, zegt Reinier Grimbergen. Met zijn collega Ralph Koekkoek staat hij bij een bouwterrein van negen hectare. Achter een hek met prikkeldraad liggen een modderig grasveld en een verwaarloosd kantoorgebouw.

Grimbergen en Koekkoek zien iets anders: een nieuwe, duurzame fabriek die hier vanaf 2030 moet draaien. Dit stuk grond bleek de meest geschikte locatie, middenin het Rotterdamse havengebied, tussen opslagtanks, een spoorlijn, een ethyleenpijpleiding en de Nieuwe Maas.

In de toekomstige fabriek van Blue Circle Olefins moet van groene methanol – uit plasticafval en landbouwreststoffen – circulaire ethyleen en propyleen worden gemaakt, om olie en gas te vervangen. Het bedrijf wacht op een omgevingsvergunning. De gemeente Rotterdam verstrekte een subsidie.

Het is precies het soort bedrijf dat de Nederlandse overheid graag ziet: duurzaam en vernieuwend. Toch maken Grimbergen en Koekkoek zich ernstige zorgen, niet om zichzelf, maar juist om de industrie om hen heen. Bestaat die nog in 2031, als zij hun fabriek moeten openen? Want zónder, dan wordt het voor hen ook een stuk lastiger. „Ik zit soms in een spagaat”, zegt Grimbergen. „Dat ik als nieuwkomer moet uitleggen dat we de oude industrie wel moeten beschermen om te kunnen vergroenen.”

Stille kaalslag

In de Nederlandse chemiesector is een stille kaalslag gaande. De meeste tekenen daarvan zijn geen landelijk nieuws en worden hooguit opgepikt door vakmedia, of misschien een lokaal nieuwsblad. Het zijn nieuwsberichten met namen van bedrijven die bijna niemand wat zeggen. Zoals Vynova, dat z’n stilstaande pvc-fabriek in het Limburgse industriepark Chemelot weer wilde opstarten, maar dat voorlopig toch niet doet. Of ChemCom in Delfzijl, dat rekeningen niet meer betaalde, waardoor een leverancier definitief geen stoom en stikstof meer wil leveren. En het vierde uitstel van een beslissing om te investeren in een waterstofinstallatie, genaamd FUREC, die als ‘fundamenteel’ is aangemerkt voor de toekomst van Chemelot.

Krakers zijn doorgaans het kloppend hart van een industrieel cluster. Daarin wordt een vloeistof uit aardolie of gas verhit, zodat die uiteenvalt in basiselementen voor de chemie. De laatste jaren is er een in Geleen stopgezet, een net over de grens bij Antwerpen en een in het Duitse Böhlen sluiten volgend jaar. Bovendien staat er ook nog één, in Moerdijk, in de verkoop. De productie van de Nederlandse chemiesector daalt sinds 2022 elk jaar: eerst met 2 procent, het jaar erop 13 procent, daarna 1 en vorig jaar nog eens 5 procent.

In de chemische industrie zijn honderden bedrijven met elkaar verbonden, soms zitten ze letterlijk aan elkaar vast. De industrie zelf maakt de vergelijking met een Jengatoren – naar het spel Jenga, waarbij spelers een toren uit losse blokjes bouwen. Onderzoeker van het Centre for International Energy Policy Coby van der Linde introduceerde dat beeld vorig jaar. Verdwijnt de verkeerde steen uit deze chemische jengatoren, dan stort de boel in. Desinvesteringen „verzwakken de solide ogende ‘Jenga-toren’” en werken „verdere desinvesteringen in de hand, waardoor industriële ecosystemen ontrafelen en instorten”, schreef Van der Linde.

Klopt dat beeld? Waarom zijn de bedrijven zo met elkaar verweven? En wat zijn daar nu de risico’s van?

Open markt, oneerlijke concurrentie

Het toekomstige bouwterrein van Blue Circle ligt in het enorme maanlandschap van industrie rond de Rotterdamse haven. De fabriek moet verrijzen tussen grote opslagtanks, vlakbij een vrachtwagenlaadstation, bij ilinfrastructuur, en pal aan de rivier de Nieuwe Maas. Het door Blue Circle geproduceerde duurzame propyleen kan per schip worden afgevoerd, en het geproduceerde ethyleen via een pijpleiding langs het terrein tot diep in Duitsland.

Zo’n honderd meter verder ligt een epoxyfabriek van het Amerikaanse chemiebedrijf Westlake. De kunsthars die er werd gemaakt, is geschikt voor bijvoorbeeld windmolenbladen. Aan de buitenkant – een kluwen buizen, een kantoortje, een paar vaten – is het niet te zien, maar de fabriek staat leeg. „Dit had een potentiële klant van ónze fabriek kunnen zijn”, zegt Grimbergen. „Maar ze zijn al weg.”

Blue Circle gaat samenwerken met Ducor Petrochemicals, een bedrijf verderop in de Botlek. Schepen moeten het groene propyleen van Blue Circle ernaartoe brengen. Ducor maakt er polypropyleen van, een type plastic. Het fossiele bedrijf wil Blue Circle gebruiken om te vergroenen. Andersom wil Blue Circle Ducor maar al te graag als klant. Maar dan moet Ducor niet verdwijnen.

„Wat ons het meest pijn doet, is de open markt in Europa, en de oneerlijke concurrentie”, zegt Hanno Schouten, ceo van Ducor, in zijn Rotterdamse kantoor. Voor hem op tafel staat een doorzichtig drinkglas, gemaakt van polypropyleen uit zijn fabriek. Die stof komt de laatste jaren – in korrelvorm, op grote schaal, en tegen veel lagere prijzen – de Rotterdamse haven binnen, geïmporteerd uit vooral China, Korea, het Midden-Oosten en de Verenigde Staten.

Hoogwaardig plastic

De prijzen voor polypropyleen worden wereldwijd bepaald, en producenten in andere landen profiteren van lage energieprijzen. Zeker in Nederland, waar de stroomprijs hoger ligt dan in buurlanden, is energie duur. Bovendien is er overcapaciteit op de wereldmarkt; door veel nieuwe fabrieken zijn de prijzen hard gedaald.

„Op een gegeven moment waren de prijzen van ons eindproduct lager dan de prijzen van onze grondstoffen”, zegt Schouten. „Daar kan je niet tegenop.” Ducor heeft z’n productiecapaciteit „significant” verlaagd. Het overleeft mede door zich toe te leggen op hoogwaardig plastic voor medische toepassingen, waarvoor de prijzen hoger liggen.

Zo kan Ducor voorlopig verder, hoopt ook Grimbergen. Juist het feit dat Nederland geen goedkoop olie en gas heeft, maakt het een logische kans om over te schakelen op afval als grondstof, zegt hij. „We hebben nu nog de infrastructuur en bedrijven om dat mogelijk te maken. Maar als veel meer deuren hier in Rotterdam sluiten, kan het zijn dat wij dadelijk onze fabriek opstarten – en dat er geen klant meer is. Het lastige is: ethyleen en propyleen kan ik niet makkelijk op een boot vervoeren naar andere werelddelen. Dat is relatief duur, en dan kan ik niet goed concurreren.”

De chemische sector telt in Nederland zo’n vierhonderd bedrijven, met ongeveer 45.000 werknemers. Wie de sector wil begrijpen, moet ook over de landsgrenzen kijken. Het achterland van de twee grootste Europese havens, Rotterdam en Antwerpen, strekt tot voorbij het Ruhrgebied en vormt in feite één logistiek-industrieel complex dat 40 procent van alle Europese chemie omvat. In zijn boek SOS Industrie noemt auteur Wim Raaijen de sector „één grootindustrieel organisme”, met verschillende organen maar „een gedeeld bloedsomloop”. De vele pijpleidingen, spoorverbindingen en binnenvaartroutes tussen de bedrijven zijn als aders en zenuwen.

Vergelijk je de chemie met een organisme, dan is de pijpleiding waar ethyleen doorheen loopt een „slagader”, zegt Ronald van Klaveren, voorzitter van de VNCI, branchevereniging van de chemische industrie. Het ethyleen stroomt vanaf de Rotterdamse haven en Dow in Terneuzen ondergronds naar Antwerpen, Chemelot in Zuid-Limburg, het Duitse Ruhrgebied, en verder door naar Burghausen, helemaal aan de grens met Oostenrijk.

Duurder voor de overblijvers

Ook bij deze pijpleiding speelt dat bedrijven die eraan liggen steeds minder produceren. „Op het moment dat je te weinig productie hebt, te weinig flow, stroomt het ethyleen er niet goed meer doorheen”, zegt Van Klaveren. „Bedrijven zullen dus op enig moment dure extra boosterstations moeten kopen die weer genoeg flow in de leidingen kunnen brengen.”

Het is maar één voorbeeld van een gezamenlijke infrastructuur die steeds duurder wordt voor de overblijvers. Sluit je één fabriek, dan moet de rest nog hogere kosten opbrengen voor pijpleidingen, afvalwaterzuivering en brandbeveiliging.

Op het Limburgse industrieterrein Chemelot is de integratie zo mogelijk nog groter dan in de Rotterdamse haven. Door de historie als groot complex van het toenmalige Nederlandse DSM zijn installaties in hoge mate verbonden met elkaar. De ene is afhankelijk van stoom die bijproduct is van een andere, de ene fabriek neemt ammoniak af van de andere, sommige fabrieken delen installaties. Maar de laatste jaren zijn veel van de fabrieken in buitenlandse handen gekomen. De nieuwe eigenaren kijken logischerwijs naar hun eigen winst en verlies, en minder naar het belang van heel Chemelot.

Gevaarlijker dan dure gedeelde infrastructuur is het als directe toeleveranciers of klanten de deuren sluiten. Zo produceert Nobian – het enige bedrijf waarmee het kabinet tot nu toe maatwerkafspraken over verduurzaming maakte – onder meer chloor voor klanten in het Rotterdamse industriegebied. Aan die klanten zit het met pijpleidingen vast. Twee kleinere klanten sloten al de deuren. Twee grote zijn over, waaronder het Japanse Shin-Etsu, dat met chloor pvc maakt. Dat bedrijf staat op zijn beurt weer onder druk door concurrentie uit China.

De sterke integratie van West-Europese chemiebedrijven was van oudsher een kracht, maar dreigt zo een zwakte te worden. Afhankelijkheden zijn er in meer sectoren, maar karakteristiek voor de chemie is de kapitaalintensiteit. Chemiebedrijven die honderden miljoenen uitgeven aan een fabriek, doen dat in de verwachting zeker dertig jaar te produceren. Dit betekent ook dat wat weg is, waarschijnlijk niet terugkomt.

Vergroenen kan, maar is duur

„Op welk moment gaan we ons realiseren: dit was één jengablokje te veel?”, vraagt Van Klaveren van de VNCI retorisch. „Dat de toren omvalt, en men zegt: oh, maar dat had ik mij niet gerealiseerd.”

De kwetsbaarheid van de chemie wordt volgens hem onderschat door milieuclubs die de vervuilende industrie liever zien vertrekken, én door beleidsmakers. Om zijn sector uit het slop te trekken, pleit hij voor beter industriebeleid – waar de chemie bescherming aan de Europese grenzen onder verstaat, en onderling gelijkere elektriciteitsprijzen in West-Europese landen.

Maar milieuclubs en onderzoekers wijzen op de vervelende kant van de chemie. Zo rapporteert de Wetenschappelijke Klimaatraad dat de CO2-uitstoot van de energie-intensieve industrie de laatste decennia geen duidelijk dalende lijn laat zien. De totale Nederlandse industrie is verantwoordelijk voor 31 procent van de landelijke CO2-uitstoot, en daarbinnen geldt de chemische industrie als grootste uitstoter. En daar komen fijnstof, stikstofoxiden en andere schadelijke stoffen bovenop.

Chemisch gezien weet de sector allang hoe te vergroenen, maar dat is duur. Dus, zegt ook Van Klaveren, zonder de juiste regulering vanuit Brussel wordt de industrie nooit fossielvrij.

Een zeldzaam voorbeeld van vergroening die met regels succesvol gestimuleerd lijkt, is de bijmengverplichting van gerecycled plastic die vanaf 2030 stapsgewijs wordt ingevoerd. Daardoor moeten fabrikanten een oplopend percentage gerecycled plastic gebruiken, bijvoorbeeld in verpakkingen. „Zo’n wet geeft vertrouwen dat er een markt ontstaat voor groene producten, ook bij ons”, zegt Van Klaveren. „Wij bouwen bijvoorbeeld in Duitsland een fabriek voor chemische recycling die volgend jaar operationeel moet zijn. Dat is in anticipatie op deze wetgeving.” Dan moet Brussel z’n rug wel recht houden, en deze wetgeving niet afzwakken.

„Daarnaast moeten we af van een misverstand”, zegt Grimbergen: de valse scheidslijn tussen groene en grijze industrie. „Politici en ngo’s denken misschien: laat partijen als Blue Circle hun werk doen, en de vervuilende, oude industrie maar lekker uitsterven. Zo werkt het dus niet. Wij willen in plaats van olie en gas afval gebruiken als grondstof, en zo de industrie competitief en toekomstbestendig maken. Maar als niet wordt begrepen dat groene start-ups wel het fundament nodig hebben van de oude industrie, zit de chemische sector in de diepe shit. Dan weet ik het ook niet meer.”

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Duurzaamheid

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next