Journalistiek en AI Nieuwsmedia staan voor de strijd van hun leven. Amerikaanse AI-giganten bouwen aan een toekomst waarin voor kranten steeds minder plaats is. De grote pershuizen vragen de overheid om hulp, maar zien zich tegelijk genoodzaakt om met de techreuzen te onderhandelen. „Google is voor ons de totale horror.”
17 september, een vergaderzaal in Dublin. De top van de grootste uitgeverijen ter wereld komt bijeen. Het zijn mannen en vrouwen die gewend zijn aan macht en invloed. Ze besturen bedrijven als Bonnier, Schibsted en The New York Times. Ze hebben een indrukwekkend arsenaal aan kranten, televisiezenders en nieuwssites in hun portefeuilles. Ze draaien stuk voor stuk een omzet van honderden miljoenen of zelfs miljarden euro’s. En ze hebben toegang tot de hoogste regionen van de macht.
Maar het is crisis in Dublin. De ceo’s die samen de European Publishers Council (EPC) vormen, de lobbyorganisatie van Europese krantenuitgevers, maken zich grote zorgen. Ze staan voor een existentiële uitdaging, zeggen ze tegen elkaar. Amerikaanse AI-giganten halen hun bedrijfsmodel onderuit. Maand na maand zien ze het bereik op hun websites verder kelderen. Lezers komen nauwelijks voorbij de AI-chatbots in de search-tool van Google. De uitgevers zijn het erover eens dat ze hun strijd moeten opvoeren. „We moeten harder lobbyen”, klinkt het. „Nog meer doen om onze positie aan de Europese beleidsmakers over te brengen.”
Journalistiek is een mensenzaak. Met deze stellige overtuiging treedt NRC een ongewisse toekomst tegemoet waarin steeds meer denk- en maakwerk aan AI wordt uitbesteed, schrijft hoofdredacteur Patricia Veldhuis.
Haar volledige verklaring vindt u onderaan dit artikel.
Christian Van Thillo, de Belgische mediamagnaat aan het hoofd van DPG Media en voorzitter van de EPC, windt er geen doekjes om. „Voorlopig kunnen we niet anders dan vaststellen dat big tech gewonnen heeft”, zegt hij aan de telefoon. „Ze doen hun ding.” Ook Gert Ysebaert, ceo van de Belgische multinational Mediahuis (waartoe NRC behoort), benadrukt dat de nood hoog is. Hij zat de vergadering in Dublin voor. „Zonder regelgeving van Europa staan de uitgevers machteloos”, zegt hij.
De uitgevers staan voor de strijd van hun leven. Zoals op veel plekken brengt de introductie van AI ook hier enorme ontwrichting teweeg. Ook in de media staan er banen op de helling – Mediahuis België kondigde vorige week aan dat het tot 35 werknemers wil laten gaan als onderdeel van een „digitale transformatie”. En de Duitse mediareus Axel Springer maakte op 23 oktober bekend tot honderd banen te willen schrappen bij de Britse krant The Telegraph in het kader van de transformatie naar een „AI-powered global business”.
Maar ook de toekomst van journalistiek zelf staat op het spel. Naarmate Amerikaanse techbedrijven machtiger worden, bepalen zij steeds meer wat nieuws wordt. Welke informatie bereikt straks nog de burger? Hoe ziet het publieke debat eruit als iedereen alleen nog wordt bevestigd in zijn overtuigingen? „Onze functie van poortwachter was al grotendeels door de sociale media overgenomen”, zegt Ysebaert. „Nu verdwijnt ze helemaal.”
De cijfers zijn niets minder dan onthutsend. Vorige week publiceerde het Reuters Institute een onderzoek waaruit blijkt dat in 2024 ongeveer 11 procent van de bevolking van zes onderzochte landen wekelijks AI gebruikte voor het inwinnen van informatie. Vorig jaar was dat cijfer al ruim verdubbeld tot 24 procent. Dit jaar gaat het om 38 procent van de bevolking dat elke week AI gebruikt om zich te informeren.
Zelfs voor kraakvers nieuws kloppen mensen steeds vaker aan bij geautomatiseerde taalmodellen. In 2024 volgde 3 procent de actualiteit via AI. Vandaag, slechts twee jaar later, is dat al 9 procent. Van degenen die AI voor het nieuws gebruiken, zegt 72 procent de informatie te vertrouwen. Intussen blijft het algemene vertrouwen in het nieuws laag: in achtenveertig onderzochte landen vertrouwt gemiddeld 37 procent van de mensen het nieuws. Nederland scoort iets hoger, met 49 procent.
Je zou kunnen zeggen: dit is creatieve destructie. Als steeds meer mensen AI-modellen gebruiken en vertrouwen, dan bieden die misschien wel een beter product dan klassieke uitgevers. Alleen gaat goede journalistiek om meer dan consumentengemak. Journalistiek is duur om te maken, hoort soms te schuren en vereist nog altijd langzaam mensenwerk om kwalitatief te zijn. „De bigtechkerels houden van het woord frictieloos, alles is seamless”, zei de beroemde tech-journalist Kara Swisher onlangs op een podium in Wenen.
Verhalen waarvoor journalisten hun leven riskeren aan gevaarlijke frontlinies, of waarvoor ze maandenlang onderzoek hebben gedaan in een hoekje van de redactie, worden vandaag gelezen door AI-bots en versnipperd tot gratis brokjes ‘content’. Die belanden samen met alle andere gesprokkelde informatie – onmogelijk traceerbaar – in de pruttelende hutspot van het grote taalmodel. „Het ergste is dat die ontwrichting plaatsvindt met ons eigen journalistieke materiaal”, zegt Mediahuis-ceo Ysebaert. Zijn bedrijf heeft kranten als De Telegraaf, NRC, Nieuwsblad, Gazet van Antwerpen en De Standaard in de portefeuille.
Niet OpenAI of Anthropic, maar Google vormt daarbij de eerste grote bedreiging. De Amerikaanse internetgigant heeft de facto een monopolie op digitale zoekopdrachten en is zo onmisbaar voor de instroom van nieuwe en jonge lezers naar mediawebsites. Tegelijk controleert Google ook een groot deel van de digitale advertentiemarkt, waardoor het zowel een tussenpersoon als een concurrent is voor de media. En nu Google bovenaan de zoekresultaten een AI-samenvatting heeft geïntroduceerd, wordt het pad van nieuwe mensen naar nieuwsplatformen versperd.
„Google is voor ons de totale horror”, zegt Christian Van Thillo. Zijn bedrijf DPG Media bundelt titels als Algemeen Dagblad, de Volkskrant, De Morgen en HLN. „Mensen stellen een vraag, krijgen het antwoord binnen de zoekmachine en worden niet meer doorgelinkt naar onze websites.” Volgens het Amerikaanse databedrijf Chartbeat daalde het verkeer van Google Search naar uitgevers tussen juli 2025 en juli 2026 met maar liefst 40 procent. Het jaar daarvoor daalde het ook al met bijna 22 procent. In een reactie laat Google weten dat AI-overzichten „wel degelijk linken naar websites, sinds kort prominenter dan eerst. Bovendien verschijnt voor lang niet elke zoekopdracht een AI-overzicht.”
Wat Van Thillo woest maakt, is dat Google de uitgevers nauwelijks de keuze laat om uit te stappen. „Ze zeggen dat ze dezelfde technologie gebruiken voor hun AI-antwoorden als voor de zoekmachine.” Wie zijn journalistiek wil afschermen voor AI, riskeert dus ook uit de zoekresultaten te verdwijnen. „Dan zegt Google: jammer genoeg zullen uw uitgevers niet meer verschijnen in onze links.” Volgens Google is Groot-Brittannië niet langer een uitzondering en kunnen uitgevers sinds deze zomer „een opt-out doen van AI-functies in Google Zoeken.”
Volgens Van Thillo kan alleen de overheid de wurggreep doorbreken. Hij wijst naar Groot-Brittannië, waar de mededingingsautoriteit Google sinds juni verplicht om uitgevers wel een afzonderlijke keuze te bieden. „Ze zijn banger voor de Britten dan voor de Europese Unie op dit moment”, zegt de Antwerpenaar. „Men zegt weleens: The Americans innovate, the Chinese replicate, and the Europeans legislate. Voor de Chinezen klopt dat al lang niet meer, maar voor ons wel. En terecht.” Alleen is de Europese wetgeving volgens Van Thillo meestal het resultaat van een slecht compromis. „Daardoor is ze makkelijk aanvechtbaar.”
Ook Frankrijk toont dat met vereende krachten, de nodige politieke wil en strenge handhaving veel mogelijk is. De Franse mededingingsautoriteit dwong Google tot onderhandelingen over vergoedingen voor het gebruik van journalistiek. Toen het bedrijf zijn verplichtingen niet nakwam, volgden monsterboetes van 500 miljoen in 2021 en 250 miljoen euro in 2024. Tegelijk trekken de Franse uitgevers grotendeels samen op. De Alliance de la presse d’information générale (APIG) verenigt er driehonderd grote, middelgrote en piepkleine krantentitels en onderhandelt namens hen met Google.
Het gevolg? Google wachtte in Frankrijk veel langer dan elders met de introductie van AI-antwoorden in zijn zoekmachine. Volgens APIG-directeur Pierre Petillault verschijnen die nog altijd bij amper 3 procent van de zoekopdrachten. Intussen krijgen de uitgevers wel vergoedingen. „Zonder onze eenheid hadden de kleinere uitgevers vrijwel niets gekregen”, zegt Petillault. „Alleen een wet volstaat niet. Zonder de politieke wil om die toe te passen, schiet het niet op.”
De Europese Commissie zegt Googles AI-zoekfuncties te onderzoeken. Maar terwijl de advocaten in Brussel over de regelgeving discussiëren, bouwen de Amerikanen verder. En hoe beter de systemen en talrijker de gebruikers, hoe meer uitgevers ervan gaan afhangen voor hun overleven.
Een woordvoerder van Google zegt dat het bedrijf AI heeft geïntroduceerd in zijn zoekmachine omdat die anders „aan relevantie ingeboet” zou hebben. Het bedrijf voelt de hete adem van concurrerende AI-modellen in de nek. Volgens Google tonen interne cijfers aan dat het aantal keren dat op links wordt geklikt wereldwijd „stabiel is gebleven”. NRC kon die niet verifiëren. Google wil met uitgevers blijven samenwerken, zegt de woordvoerder. „Via commerciële licenties, productinnovatie en gezamenlijke AI-pilots.”
Op 17 september, precies op de dag waarop de bezorgde Europese uitgevers vergaderden in Dublin, werden in New York interne documenten openbaar gemaakt uit de rechtszaak van The New York Times tegen OpenAI en Microsoft. De krant beschuldigt de techbedrijven ervan zonder toestemming miljoenen artikelen uit haar archief te hebben gebruikt om hun AI-modellen te trainen.
Uit de documenten blijkt dat de managers van de techbedrijven zeer goed wisten dat ze roofbouw pleegden. Brent Hecht, een onderzoeksdirecteur van Microsoft, sprak in interne documenten over „de grootste diefstal van menselijke arbeid in de geschiedenis”. Nick Turley, die het ChatGPT-team bij OpenAI leidde, waarschuwde op zijn beurt dat de chatbot een „existentiële bedreiging” zou vormen voor de pers. De eigen ingenieurs van het bedrijf meldden dat niemand doorklikte op de linkjes die naar journalistieke bronnen leidden.
Het hield hen niet tegen om de disruptieve technologie op de wereld los te laten, zonder overleg met de uitgevers en de creatieve sectoren bij wie ze gretig hadden geoogst. „Dat is het principe van move fast and break things”, zegt Van Thillo. Ook de Belgische en Nederlandse kranten van Mediahuis en DPG Media werden helemaal leeggezogen, zonder dat ze het wisten. Op een bepaald moment waren de bots die over de websites krioelden om informatie weg te plukken talrijker dan de menselijke bezoekers. „We zagen ze wel, maar we wisten niet wat ze deden”, zegt Ysebaert. „Pas toen ChatGPT 3,5 in november 2022 werd gelanceerd, wisten we hoe laat het was.”
Microsoft noemt Hechts uitspraken vandaag een „persoonlijke mening”. Zowel OpenAI als Microsoft betwisten dat ze de regelgeving over auteursrecht hebben geschonden. Ze spreken van „fair use”. Volgens hen kopiëren de artificiële taalmodellen immers niet, ze leren alleen maar.
Die logica van de Amerikaanse AI-giganten vindt inmiddels zijn weg naar het allerhoogste politieke niveau. Tijdens de G20-bijeenkomst in Chapel Hill, North Carolina, mengde de Amerikaanse minister van Handel Howard Lutnick zich in het debat over auteursrecht. Hij spoorde de G20-landen aan om AI-training op beschermd materiaal mogelijk te maken. „We mogen geen barrières opwerpen voor de volgende generatie vernieuwers”, zei hij. Volgens hem zou iedereen het Amerikaanse principe van fair use moeten omarmen. De VS, en bij uitbreiding het Westen, moeten immers hun voorsprong op China behouden.
„Het is een kwestie van nationaal belang”, zegt het Amerikaanse ministerie van Justitie. In de zaak van The New York Times tegen OpenAI en Microsoft, kiest de overheid inmiddels openlijk de kant van de techbedrijven. Om dat argument kracht bij te zetten, verwijzen de advocaten naar een van Amerika’s beroemdste journalisten: „Joan Didion typte als tiener ook alle verhalen van Ernest Hemingway woordelijk over, om te leren hoe zinnen werken.” Of het leerproces van een mens hetzelfde is als dat van een commerciële machine, dat moet de rechter beoordelen.
„Deze regering kiest de kant van een handvol AI-bedrijven die biljoenen dollars waard zijn”, zegt Graham James, de woordvoerder van The New York Times. „Ten koste van de talloze Amerikaanse makers wier werk ze hebben gestolen.”
De opgevoerde Amerikaanse druk botst voorlopig op Europees verzet, maar die maakt een forse positie van Brussel ook gevoelig. Ysebaert hoort overal het argument van de wedloop met China, zegt hij: „Daarvoor moet alles wijken.„ Ook Van Thillo vreest dat de druk groot wordt. Europa is in de eerste plaats een handelsblok, zegt hij: „Amerika kan met zijn tarieven veel druk zetten op ons beleid.”
Volgens Van Thillo betalen we in Europa een prijs voor de naïviteit van een hele generatie beleidsmakers. Hij herinnert zich een gesprek met toenmalig Belgisch premier Alexander De Croo, enkele jaren geleden, en hoe die reageerde toen hij hem de dreiging van Silicon Valley probeerde uit te leggen. Hij zou van de liberale premier ongeveer dit te horen hebben gekregen: „Jullie moeten zelf innoveren en stoppen met zagen. Ga terug naar uw bedrijf en probeer zelf eens iets digitaals te doen.” De Croo was niet de enige politicus met boter op het hoofd, zegt Van Thillo. „Iedereen bewonderde Meta. Iedereen bewonderde Google.”
Elf jaar geleden reed tech-ceo Elon Musk nog per Tesla door Antwerpen met huidig premier Bart De Wever. Inmiddels is het ontzag omgeslagen in gezonde ongerustheid, denkt Van Thillo. Maar de reactie komt laat. Big tech vecht de procedures aan, werpt technische bezwaren op en doet dan nieuwe voorstellen die opnieuw net niet aan de eisen voldoen. ”Frustrate, delay, frustrate, delay”, noemt de DPG-baas de strategie van big tech. „Ze nemen zo veel mogelijk lobbyisten en advocaten in de arm en betalen die meer dan ze ooit verdiend hebben. Ze lachen de Europese Commissie in haar gezicht uit.”
Angela Mills Wade, al sinds 1991 directeur van de Europese krantenlobby EPC, bevestigt dat de sector nog nooit voor zo’n uitdaging heeft gestaan als vandaag. De overgang van papier naar digitaal was al ingrijpend, maar nu bedreigt AI het reportersvak zelf. „Wie zal de journalistiek nog financieren? Wie zal maanden van zijn leven aan een onderzoek wijden? Wie zal naar het gevaar toe gaan?”, vraagt Mills Wade.
De uitgevers zijn niet van plan zich al gewonnen te geven, zegt Mills Wade. EPC heeft al twee formele klachten tegen Google ingediend: een over de advertentietechnologie en een over de AI Overviews en AI Mode in de zoekmachine. Tegelijk bouwen de uitgevers internationaal een tweede verdedigingslinie. Binnen het collectieve initiatief Spur werken Mediahuis, de BBC, Financial Times, The Guardian en sinds enkele weken ook The New York Times aan een zogeheten content telemetry standard: een richtlijn over hoe AI-bedrijven het gebruik van journalistiek zouden moeten registreren en rapporteren. Dat moet helpen om big tech te dwingen om voor de journalistiek een eerlijke prijs te betalen.
Google ontwikkelde daarnaast ‘News AI Pilot’, dat in oktober werd uitgebreid tot ruim vierhonderd nieuwspublicaties. Binnen dat programma betaalt de internetreus de uitgevers om hun journalistiek te mogen gebruiken voor AI-toepassingen. Volgens Google kunnen die lezers helpen om kwaliteitsbronnen „te ontdekken”.
In een sector die bekendstaat om bikkelharde concurrentie is het een zeldzaam voorbeeld van eensgezindheid. Maar parallel aan de collectieve strijd onderhandelen uitgevers ook afzonderlijk met de Amerikaanse techbedrijven. Zo probeert iedere uitgever de beste prijs voor de eigen journalistiek los te krijgen. Axel Springer, News Corp, Le Monde en Financial Times sloten bijvoorbeeld in 2023 en 2024 al deals met OpenAI.
Ysebaert erkent dat zulke afzonderlijke deals het collectieve front kunnen verzwakken. „We spreken bij zulke deals niet met één stem. De voorwaarden zijn eerlijk gezegd ook altijd vrij eenzijdig opgelegd.” Maar in tijden van dalende inkomsten en oplopende uitgaven zitten steeds meer uitgevers in overlevingsmodus. Een potentiële nieuwe inkomstenbron is dan aantrekkelijk. Ook Mediahuis onderhandelt over een licentieovereenkomst met Google. Op zijn minst bevestigen Amerikaanse techbedrijven met zulke deals dat journalistiek economische waarde heeft. „Ik vind de deals die gemaakt zijn daarom niet per se negatief”, zegt Ysebaert.
Van Thillo noemt de relatie met big tech fundamenteel asymmetrisch. „Met Google kun je alleen praten als je erg aandringt”, zegt de DPG-baas. Google betwist dit, volgens het bedrijf praten DPG Media en Google elke dag met elkaar. „Bij Meta krijg je hooguit een verkoper aan de lijn, maar praten met het bedrijf kan nauwelijks.”
Ana Jakimovska, verantwoordelijk voor de AI-strategie van Mediahuis, is net terug uit San Francisco. Daar had ze onder meer een vergadering met een groot AI-bedrijf, waar een ingenieur haar liet zien hoe je met het taalmodel van dat bedrijf geavanceerd journalistiek onderzoek kunt verrichten. Hij liet het systeem los op een financiële schandaal dat uitgebreid in het nieuws was geweest. „Indrukwekkend”, zei Jakimovska. Maar tijdens de presentatie merkte ze op dat de AI-agent van de ingenieur ook materiaal gebruikte van een website die het automatisch verzamelen van informatie verbiedt. Toen ze vroeg hoe dat kon, zei de ingenieur zonder een spoor van gêne: „De AI-agent kan mijn computer gebruiken. De website ziet hem dus niet als bot, maar als een menselijke bezoeker.”
Met Google bespreken verschillende media ondertussen hoe ze hun journalistiek binnen AI-systemen een plek kunnen geven. Onlangs zaten afgevaardigden van grote Europese krantenbedrijven samen met de productontwikkelaars van Google. Ze bespraken een toekomst waarin kranten een voorkeursbron zouden worden in de AI-antwoorden van het bedrijf. Ze droomden over AI-agents die voor de lezer abonnementen kunnen regelen op hun voorkeursbronnen. Het is een spel met hoge risico’s. Uitgevers hopen nieuwe lezers via AI-platformen te bereiken en daar nieuwe betaalmodellen uit te puren. Maar ze riskeren hun journalistiek precies te behandelen zoals big tech dat doet: als een grondstof en niet als een afgewerkt product.
Ysebaert denkt nog verder. „Wij gaan journalistiek maken voor mensen en wij gaan journalistiek maken voor agents”, zegt hij. Een verslaggever zou zijn gesprekken, documenten en bronnen zelfs in een systeem kunnen invoeren. De lezer zou dan een korte samenvatting kunnen vragen, een podcast kunnen genereren of al chattend informatie inwinnen. „Misschien kun je je zelfs voorstellen dat het stuk maken niet meer is wat je als journalist gaat doen.”
Jakimovska denkt dat AI longreads zal kunnen schrijven op het niveau van The New Yorker. „Hoofdredacteurs haten wat ik zeg”, geeft ze toe. „Maar we hebben de mogelijkheid verloren om te meten hoe intelligent de AI-modellen zijn.” De AI-strateeg is er nu vooral bezorgd om dat redacties zelf niet flexibel genoeg zullen zijn om te overleven in de nieuwe wereld. De vraag is of lezers wel zitten te wachten op dergelijke AI-gegenereerde journalistiek. Volgens het nieuwe Reuters-onderzoek voelt slechts 12 procent zich comfortabel bij nieuws dat door AI wordt gemaakt.
De gezaghebbende techexpert Marietje Schaake, ook bestuurder bij Mediahuis, waarschuwt voor een nieuwe vorm van afhankelijkheid. „Deals kunnen geld opleveren, maar ze beschermen niet per se de media en de belangrijke rol van journalistiek”, schrijft ze. „Ik vrees dat kortetermijninkomsten door deals het zicht op de langetermijnbelangen kunnen belemmeren.”
Schaake hoopt dat uitgevers en kranten nu volop met AI experimenteren „binnen heldere kaders en langs principes die recht doen aan de belofte van kwaliteitsjournalistiek”. Ze vreest dat een tegenstrijdige houding tegenover Amerikaanse big tech grote risico’s kan meebrengen. „Het zou gek zijn als mediabedrijven aan de ene kant rechtszaken voeren om beloond te worden voor contentgebruik, en aan de andere kant de content zelf op AI-platformen zetten, omdat dat nu eenmaal zo handig is. Waarbij data en intellectueel eigendom alsnog naar de andere kant van de wereld vliegen.”
Een versie van dit stuk verscheen eerder in de Vlaamse krant De Standaard.
Journalistiek is een mensenzaak. Met deze stellige overtuiging treedt NRC een ongewisse toekomst tegemoet waarin steeds meer denk- en maakwerk aan AI wordt uitbesteed. Wij zien in AI een cruciale nieuwe techniek die kansen biedt om nog betere journalistiek te bedrijven, bijvoorbeeld bij het analyseren van grote hoeveelheden data. Maar we zijn er ook van overtuigd dat de kern van onze journalistiek mensenwerk is en blijft.
Scherp nadenken en formuleren vormen het hart van ons werk. Onze lezers, luisteraars en kijkers moeten erop kunnen vertrouwen dat er bij NRC is nagedacht over de producties die we maken en de woorden die we kiezen.
In een wereld waarin antwoorden met een druk op de knop worden gegenereerd, is het stellen van de juiste vragen de echte kunst. En dat, geloven wij, is mensenwerk. Net als erop uit gaan om de wereld, zowel off- als online, te beschrijven, onderzoeken en bevragen, in gesprek met echte mensen.
We zijn niet naïef. We zien dat de techbedrijven met chatbots en semi-zelfstandige agents de journalistiek verder onder druk zetten. Goede journalistiek kost geld. Op dit moment ontbreekt het aan manieren om af te rekenen bij de bots, scrapers en agents die zich onze inhoud toe-eigenen.
Hoe gaan we daar mee om? We blijven investeren in journalistiek, door mensen gemaakt en op mensen gericht. Onze splinternieuwe homepage, scherpe podcasts, originele en diepgravende verhalen, journalistieke boeken en video-explainers zijn daarvan het zichtbare resultaat.
De ontwikkeling van nieuwe verdienmodellen volgen we met interesse. Via Mediahuis is NRC aangesloten bij SPUR, een wereldwijd collectief van uitgevers, dat onderzoekt hoe AI-bedrijven onze inhoud gebruiken. Dat is de eerste stap om ervoor te zorgen dat we eerlijk vergoed worden voor gebruik, zónder onze journalistiek uit te leveren.
En onze scepsis richting de motieven en belangen van AI-bedrijven, betekent niet dat we niet nieuwsgierig zijn naar de kansen die AI biedt om betere journalistiek te bedrijven.
NRC was in 1995 de eerste krant in Nederland met een eigen website. Onze journalisten kunnen AI gebruiken als hulpmiddel bij hun onderzoek, als we de uitkomsten daarna zelf kunnen verifiëren. Maar het journalistieke handwerk is en blijft mensenwerk.
Patricia Veldhuis
Hoofdredacteur NRC
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie