De canon moet inclusiever, zegt emeritus hoogleraar Maarten Doorman. Zijn hoop heeft hij gevestigd op handboeken over kunst en cultuur. Maar hoeveel invloed hebben die in de praktijk?
is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant.
De canon moet inclusiever, zegt emeritus hoogleraar Maarten Doorman. Zijn hoop heeft hij gevestigd op handboeken over kunst en cultuur. Maar hoeveel invloed hebben die in de praktijk?
is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant.
O ja, die canon. Wat heeft die het te verduren gehad, de afgelopen twintig, dertig jaar. Hij is verguisd, overbodig verklaard, in ere hersteld en zelfs gepromoveerd tot ijkpunt van nationale identiteit, tot Canon met een grote C, gedekoloniseerd, gefeminiseerd, versplinterd.
Waar hebben we het eigenlijk over? Je hebt een natuurcanon, een voetbalcanon, een canon van Noordeloos, van Staphorst. Wil je je hobby, beroep of woonplaats enig aanzien geven, dan bedenk je er een canon bij.
Maar met de canon bedoelen we meestal de culturele variant: het neusje van onze geschiedenis en onze kunst. De gezaghebbendste is wellicht de Canon van Nederland, van staatswege opgesteld in 2006, zes jaar geleden herzien (Willem Drees eruit, Anton de Kom erin) en bedoeld voor het onderwijs.
In de rubriek ‘Reputaties’ kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
De literatuur heeft het ook goed voor elkaar. Elke vijf jaar brengt de chique Vlaamse Koninklijke Academie van Nederlandse Taal en Letteren een nieuwe top 50 uit met ‘essentiële werken uit de Nederlandstalige en Vlaamse literatuur’.
De lijstjes, want dat zijn het in wezen, bevredigen de diepmenselijke behoefte aan ordening en hiërarchie: wat doet ertoe? Welk verhaal willen we over onszelf vertellen? Wat geven we door aan onze kinderen en, niet minder belangrijk, aan de zogeheten nieuwkomers in onze maatschappij?
Ik merk dat ik de neiging heb om aanhalingstekens te plaatsen rond elk ‘we’ en ‘ons’, rond elk ‘de’ voor ‘canon’. Deels komt dat door de griezelige nationalistische associaties die ik heb bij zo’n ‘we’, maar ook doordat ik (1990) de canon bijna niet anders ken dan veelvormig en veranderlijk.
Dat een canon überhaupt kan veranderen, was lang niet vanzelfsprekend. Filosoof Maarten Doorman (1957) trok begin deze eeuw als kersverse UvA-hoogleraar van leer tegen de ‘orthodoxie van de canonkritiek’. Destijds bestond er een groot wantrouwen tegen het hele idee van de canon: te conservatief, te elitair. Die canon, daar konden we maar beter vanaf zijn.
Doodzonde, vond Doorman. ‘Niet het principe van de canon, maar de inhoud dient ter discussie te staan. En dat met die inhoud ook de waarden van de eigen cultuur ter discussie staan, is winst: het onderstreept dat de canon de context biedt voor het onvermijdelijke debat over culturele identiteit en diversiteit.’ Geen onveranderlijke lijst dus, maar een springplank voor vernieuwing.
Volgens mij is Doorman de afgelopen twintig jaar op zijn wenken bediend.
In de Daendelslezing keerde de inmiddels emeritus hoogleraar deze week naar zijn geliefde onderwerp terug. In Hun gedachten onze kooi (Boom; € 12,50) is na te lezen hoe hij inzoomt op vrouwen in de canon. Of liever: het gebrek daaraan.
Met een lange aanloop, via Mary Wollstonecrafts Pleidooi voor de rechten van de vrouw (1792) en het ietsiepietsie intellectuele vrijheid dat vrouwen in de 18de eeuw verwierven, grondig tenietgedaan door Rousseau en de romantici in de 19de eeuw, komt Doorman uit bij de canon in zijn huidige gedaante.
Aan de feministische herstelwerkzaamheden van de afgelopen jaren kleven twee problemen, stelt hij terecht. Allereerst: de neiging om ondergesneeuwde vrouwen overdreven veel lof toe te zwaaien. (Nee, Germaine de Staël was niet net zo invloedrijk als Rousseau en Kant.) Doormans oplossing luidt kort en krachtig: niet meer doen.
Het tweede probleem ligt complexer. Hoe voorkom je dat alle vrouwen die nu in de belangstelling staan – door een biografie, tentoonstelling of podcast – binnenkort alweer zijn vergeten? We moeten ze ‘inschrijven’ in de geschiedenis, zegt Doorman, ‘opdat ze niet als schitterende zeepbellen een ogenblik door de lucht zweven om een moment later alweer uiteen te spatten’.
En hoe ziet hij dat voor zich? De standaardwerken over kunst, literatuur en filosofie moeten een ‘inclusiever narratief construeren’. We moeten vrouwen uit het notenapparaat bevrijden en weer tot ‘medespelers’ maken.
Een voorbeeld? Kunsthistoricus Amelia Rauser beschrijft in The Age of Undress (2020) hoe Emma Hamilton en andere societyvrouwen eind 18de eeuw witte mousselinen jurken gingen dragen, een groot contrast met het barokke hoepelgeweld van de eeuw daarvoor. Rauser plaatst deze ontwikkeling in de context van het neoclassicisme, met zijn fascinatie voor zuivere, naakte lichamen. Zo wil ze laten zien dat vrouwen een centrale rol speelden in deze stroming. Waarom dan niet het hele neoclassicisme herdefiniëren, stelt Doorman voor, met serieuze aandacht voor ‘vrouwelijke’ disciplines als mode en textiel?
Dat is allemaal heel nobel en relevant voor het intellectuele debat. Toch dringt één gedachte zich op: gaat een herschikking in een kunsthistorisch overzichtswerk nu echt veranderen hoe mensen het verleden ervaren en wat hun ervan bijblijft? Werkt de wereld, ook de culturele, inmiddels niet anders?
Tegenover ‘de canon als instituut’ plaatst Doorman het schrikbeeld van techbedrijven en algoritmen die ons opdringen welke cultuur wij consumeren. ‘Bepalen onderwijs, ouders, publieke discussies, de kritiek en de politiek wat mee mag tellen (zoals meer werk van vrouwen), of een manipulatieve, machtige en meedogenloze markt?’
Een retorische vraag, natuurlijk, en een beetje een flauwe. De digitalisering heeft Amazon gebracht, maar ook Goodreads, en elke ‘best of’-lijst die je je maar kunt wensen. Online heerst de macht van de massa, niet alleen van de markt.
Dit alles doet niet af aan het gewicht van de canon als instituut. Kijk maar naar de verwoede discussies over elke canon van Nederland die daadwerkelijk op scholen wordt gebruikt. Maar voltrekt de revolutie zich niet eerder in de rommelige culturele praktijk, door herhaling, verspreiding? De handboeken volgen vanzelf wel.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant